De Ursuskerk in Termunten

een wandellimerick

DSC01479

Voor iedere plaats waar we doorheen wandelen, langs het Nederlands Kustpad, maken we een limerick. Een wandellimerick, zoals we ons zelf uitgevonden genre hebben genoemd. Onze zelfverzonnen loot aan de stam van het pleijsierdicht. Drs P haalde zijn neus ervoor op, voor de limerick, maar wij hebben er wel pleijsier in, het zij ons vergeven. We begonnen ermee in Stavoren en hebben inmiddels een flinke bundel gevuld.
De wandellimerick ontstaat al wandelend. Stapvoets, op het ritme van de wandeling. Improviserenderwijs, zonder rijmwoordenboek of internet, puur op gevoel. Een aanleiding wordt gevonden in de meest uiteenlopende zaken. Daar hoeft niet al te zwaar aan te worden getild, het is niet voor niets light verse tenslotte. Een uitzicht, een aanzicht, een inzicht, het weer. Er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets dat opvalt.
In Termunten lieten wij ons romantisch in vervoering brengen door het pronte kerkje dat op zijn terp boven zijn gemeente uit stond te steken. De Ursuskerk, lazen wij later op internet. Een eenvoudig maar prachtig kerkje was het, met veel siermetselwerk, boogvensters, ronde raampjes en een schattig torentje. En zo klein als het eigenlijk was, in vergelijking met grootsteedse kathedralen, we bleven het nog van heel ver als baken aan de einder zien staan. Een baken ook van een andere tijd, zo filosofeerden wij. Een tijd waarin dit kerkje het hoogste gebouw in de wijde omgeving was. Die positie had het kerkje vandaag niet meer, de horizon werd inmiddels tamelijk onbescheiden gevuld met windmolens, industriecomplexen en schoorsteenpijpen die geringschattend op het kerkje neerkeken, met zijn torentje. Toch voelden wij meer voor het torentje. Wij stelden ons voor hoe mensen van eeuwen geleden het ook al van verre zagen, net als wij, en wisten: dáár ligt Termunten. Dat vonden wij een mooie, verbindende gedachte. Dat het torentje er pas in 1951 aan vast werd gebouwd, slechts luttele jaren vóór onze respectieve geboortejaren, ontdekten wij pas thuis. Maar goed, het kerkje stond er dan toch maar al vanaf 1275. Al was het met een andere toren, een losstaande toren die ergens in de 19e eeuw instortte. En het blijft een mooie, verbindende gedachte.

De Ursuskerk in Termunten

In Termunten torent de kerk, als baken,
nog mijlenver uit boven de daken.
In hoogte wint, in deze tijd,
de windmolen allicht de strijd,
maar het kerkje weet ons meer te raken.

Advertisements

Koffie in Termunterzijl

een wandellimerick

In Stavoren zijn we ermee begonnen en inmiddels hebben we een aardige bundel gevuld. Met de wandellimerick. Onze zelfverzonnen loot aan de stam van de light verse, of pleijsierdicht, in goed Nederlands.
Voor iedere plaats waar we door wandelen, op onze tocht langs het Nederlands Kustpad, maken we er een. Gaandeweg. Wandelenderwijs. Stapvoets. Zonder hulpmiddelen als rijmwoordenboek of internet. Puur op gevoel. Taalgevoel allicht. Of gevoel voor humor misschien. Gevoel in elk geval.

koffie

Aanleiding kan van alles zijn, daar doen we niet moeilijk over. Er gebeurt altijd wel iets, er valt altijd wel iets op. Zeker als je je ogen open houdt. En het kunnen ook heel goed de kleine dingen zijn, zoals in Termunterzijl. Waar we na een lange, barre tocht door het ochtendlijk donker van de winter, over gladde en verlaten wegen, een visrestaurant open vonden om te schuilen voor de regen waarvan wij ons afvroegen of die zeikerig onze etappe om zeep zou gaan helpen, of gehoorzaam zou overwaaien zoals de weersverwachting ons had willen doen geloven.
Terwijl ons de moed toch langzaam wat in de wandelschoenen zakte, werden in het restaurant luidruchtig voorbereidingen getroffen voor een lange, drukke zaterdag. Emmers ijs werden leeggekiept in de vitrines waarop de vis dan weer breeduit werd opgetast en uitgestald. De radio stond aan, de vrijdagavond werd doorgenomen, de plannen voor het weekend, en de loodgieter werd gebeld voor een lekkende dakgoot. Tussen de bedrijven door was er nog ruim de tijd voor gastvrijheid aan twee aarzelende wandelaars. De cappuccino kwam met een hartje in het schuim en maar liefst twéé koekjes met een gat. En zie, het zijn de kleine dingen die het doen: wij klaarden er helemaal van op. Net als het weer. Van zoiets simpels.

Koffie in Termunterzijl

Rijdend door het donker, over verlaten, gladde wegen
bereiken wij Termunterzijl, in de niet aflatende regen.
De viskraam ontvangt ons zeer gastvrij,
schenkt koffie met een hartje en twéé koekjes erbij..
en zo kunnen wij en het weer er dus weer helemaal tegen.

Carel Coenraads Zwelpasta

De etappe van Termunterzijl naar Kostverloren liepen wij op zaterdag 16 december 2017

In het visrestaurant in Termunterzijl, waar wij onze toevlucht hebben gezocht, maakt men zich op voor een lange, drukke dag. Er wordt gesjouwd met emmers ijs, de vis wordt in de vitrine uitgestald en ondertussen wordt de loodgieter gebeld voor een dakgeute die slim lekt. Buiten regent het nog hard genoeg voor een tweede cappuccino. Net als de eerste wordt die geserveerd met twéé koekjes én een hartje in het schuim. Dat blijkt zelfs genoeg om de lucht wat op te klaren en de rest van de dag zullen we het bijna helemaal droog houden, al zien we ook duidelijk dat dat niet voor de wijde omgeving geldt.

DSC01575

Langs de horizon, die hier rondom ons is, zien we vele donkere luchten voorbij trekken en hun zware lading lozen. Soms krijgen we er een afgewaaide vlaag van mee, maar het deert ons niet. Sterker nog, met mooi en zomers strakblauw weer zou het wel eens saai kunnen zijn geworden op deze kilometers lange, kaarsrechte grasdijk met links de zee en rechts de polder, beiden schier oneindig uitgestrekt. Maar vandaag, met ieder moment een andere lucht, en nieuwe dreigende, of minder dreigende maar altijd schilderachtig voortgejaagde wolkenpartijen, in vele kleuren grijs en blauw, tot bruin en zwart aan toe, met regenbogen, of flarden daarvan, of aanzetten daartoe, en telkens ander licht dat het landschap van kleur en sfeer doet veranderen.. vandaag verveelt het geen moment. Het is een fascinerend schouwspel dat we krijgen voorgeschoteld. En als het aan het eind van de dag dan toch even recht boven ons losgaat en de regen ons koud en scherp in de ogen striemt, nou ja.. dan moet dat maar. Dan is het het waard geweest.

DSC01470

In Termunten lopen we rond de Ursuskerk. We hebben er al veel gezien in Groningen, van deze kleine, middeleeuwse, bakstenen kerkjes die op hun wierde boven het dorpje uit staan te steken, maar we krijgen er niet snel genoeg van. Ook dit kerkje is ronduit schitterend, met siermetselwerk en smalle hoge ramen in een gotisch aandoende gevel. In de zij- en achtergevel zit een hele rij laaggeplaatste bloemvormige vensters. In Oldenzijl werd van een dergelijk venster gezegd dat het een hagioscoop zou zijn, een gat in de muur waardoor mensen die de kerk niet mochten betreden buiten toch de mis konden volgen. Dat dat hier ook het geval is geweest lijkt onwaarschijnlijk, daar zijn het er toch teveel voor. Er zouden meer mensen buiten staan dan binnen zitten. Zó hardvochtig kan de Heer toch niet zijn.
Eenmaal op de dijk en op weg zien we de toren nog lange tijd als een baken aan de horizon. Natuurlijk zijn de windmolens hoger, de fabriekssilhouetten en de rook brakende schoorstenen groter, toch heeft het kerkje, vinden wij, meer gezag. Dat komt door de ouderdom, filosoferen wij. Het idee dat mensen dit torentje al honderden jaren geleden boven hun vlakke, lege land zagen uitsteken ontroert ons op één of andere manier. Later blijkt dat we hier iets te romantisch door de bocht gaan omdat de toren die ons nakijkt pas in 1951 werd aangebouwd. Maar goed, het ging om het idee. En in de Middeleeuwen stond er een andere, een losse toren naast de kerk, dus helemaal flauwekul is het ook niet.

DSC01500

Even boven Termunten stuiten we, niet verwonderlijk langs het Kustpad, niet voor het eerst op de Atlantikwall. Rechts in het land zien we wat lage, bakstenen barakken staan, een verlopen bunker, links aan het water een betonnen geschutssokkel. Een en ander maakt onderdeel uit van de voormalige Batterie Fiemel, die bedoeld was om de haven van Emden, aan de overkant, te verdedigen tegen geallieerde luchtaanvallen. Het blijkt dat hier in de laatste dagen van de oorlog nog zwaar is gevochten en dat dit stukje Groningen het laatst bevrijdde stukje Nederland is geweest.

DSC01556

Bij de punt van Reid maken we een scherpe bocht naar rechts om onze weg te vervolgen langs de Carel Coenraadpolder, een naam die tot de verbeelding spreekt en ons vrolijk terug doet denken aan Koenraads Kleefpasta, uit de verhalen van Pippi Langkous, hoewel hij genoemd is naar de toenmalige commissaris van de Koningin, Carel Coenraad Geertsema. De polder ligt in de zogenaamde graanrepubliek, waarover wij het gelijknamige boek van Frank Westerman lazen. Ons wandelboekje rept van een Amerikaans aandoende grootschaligheid: een gebied van grote en weidse akkers, zonder verstedelijking en alleen hier en daar een boerderij. We zien wat er bedoeld wordt, de sky is big inderdaad, maar we lopen op een dijk, links is de zee en rechts wordt het land ook weer in vakken opgedeeld door een netwerk van binnendijkjes, dus het is wel Amerikaans op zijn Hollands. Waar verder niks mis mee is trouwens. Deze Groningse polders waren meteen zó vruchtbaar dat de toch waarschijnlijk niet onaanzienlijke kosten van de landaanwinning er met de eerste de beste oogst al uit waren. We vermoeden dat het plaatsje Kostverloren, waarvan we ons dat al afvroegen, daar zijn naam aan te danken heeft. En van intrigerende namen gesproken, vlak ernaast ligt Hongerige Wolf. Waarom dát zo heet wordt zeer volledig uitgelegd op het weblog Groninganus. Wat latijn is voor ‘hij die van Groningen komt’, we zeggen het er maar even bij. Later plaatst deze Groningse kroniekschrijver in een reactie trouwens nog een afwijkend verhaal tegenover onze in eigen oren zeer plausibele theorie over Kostverloren, met een link naar een tweede artikel op zijn weblog. En omdat hij er per slot vandaan komt, gaan we er zonder meer van uit dat wij ernaast hebben gezeten.

DSC01600

Op de dijk ondertussen treffen we een bijzondere paddenstoel. Een wat pokdalige fallus is het, die zich licht gekromd zo’n vijftien centimeter uit het gras verheft, wit en slijmerig. Een echte hoed heeft hij niet, hij is hooguit wat afgeplat van boven. We hebben geen idee wat het is, maar dat hebben we eigenlijk nooit. Bij exemplaren die we verderop tegenkomen zien we een soort gelobde steel, maar dat helpt niet. We nemen wat foto’s om de zaak thuis te determineren. Dan begint het ons op te vallen dat deze paddenstoel altijd alleen staat. En altijd precies bovenop de dijk. In het midden, ook nog. En, nu we de boel eenmaal zijn gaan wantrouwen, eigenlijk ook steeds ongeveer op dezelfde afstand van elkaar. Dit zijn geen paddenstoelen besluiten we dan, en recalcitrant trappen we er één omver voor nader onderzoek. Het blijkt een soort klei te zijn die op gezette afstanden in een gat in de dijk is gespoten. We vermoeden dat er grondmonsters zijn genomen en dat de gaten zijn afgedicht met klei. Een lezing die later wordt bevestigd door het waterschap Hunze en Aa’s, dat we met de vraag benaderen. Het gaat om een onderzoek naar de veiligheid van de dijk. En de klei die is gebruikt blijkt zwelklei te heten. Zwelklei. Dat moet wel bijzondere klei zijn, die onze dijken zo heldhaftig waterdicht houdt. Onze verbeelding dwaalt dan toch weer af naar de wonderbaarlijke Kleefpasta van Koenraad. Zwelklei. Carel Coenraads Zwelpasta.

DSC01577

Dan komen we bij het Ambonezenbosje, zoals het in de volksmond heet, want officieel schijnt het naamloos te zijn, al rept wikipedia dan weer van Dollard Süd en staat het op de bordjes weldegelijk aangegeven als Ambonezenbosje. Goed, als bos mag het inderdaad geen naam hebben, dit plukje bomen, maar het staat er niet voor niets. Het is ooit neergezet om de herinnering aan wat er was uit te wissen. Die het nu, door er te zijn, juist in leven houdt, zou je kunnen zeggen. Een stukje vaderlandse geschiedenis dat in 1923 begint, het geboortejaar van deze polder. Voor de arbeiders – te werk gestelde werklozen – die het zware werk van de landaanwinning verrichtten, werd hier een handvol barakken neergezet waarin zij onder waarschijnlijk niet al te florissante omstandigheden konden verblijven. Na de oorlog werden dezelfde barakken gebruikt om NSB’ers in op te sluiten, naar verluidt onder een schrikbewind waar de gemiddelde Duitse kampleiding zich eerder niet voor zou hebben geschaamd. Tussen 1953 en 1961 tenslotte deed het kamp dienst als huisvesting voor driehonderd Ambonezen die in onze koloniale oorlog, pardon, politionele acties als KNIL-militairen aan Nederlandse zijde hadden gevochten. Dat geeft toch te denken, dat je mensen die voor jouw land gevochten hebben wegstopt in dezelfde barakken waarin je landverraders hebt opgesloten gehouden. Barakken die in 1923 effe snel werden neergezet om uitgebuite arbeiders in op te hokken. Dat de Ambonezen in de allerverste, meest verlaten uithoek van ons land werden opgevangen geeft ook te denken. Temeer daar ze er in 1961 met politiegeweld weer werden verdreven met het argument dat ze moesten integreren. Er wordt in dit koninkrijk vaak nogal hoog van de toren geblazen over normen en waarden, en het eigen blazoen wordt liefst als brandschoon gezien, maar het zou ook wel eens kunnen dat we hier niet zo heel veel beter zijn dan de rest van de wereld. Dat zou best in herinnering mogen worden gehouden. Het is goed dat het bosje dat doet.

DSC01624

Aan het eind van de polder, waar we landinwaarts trekken, bij de laatste boerderij van het laatste stukje Nederland, wordt ook iets in herinnering gehouden. Ter gelegenheid van de dijkverzwaring werd hier in 1987 een kunstwerk geplaatst van Arie Berkulin. De titel van het beeld is Hongerige Wolf, naar het aanpalende plaatsje waarschijnlijk, al kan natuurlijk ook de zee worden bedoeld. Het bestaat uit een tiental rechtop in een patroon in de grond gezette zandzuigerbuizen die, mag je aannemen, gebruikt zijn bij de herdachte dijkverzwaring. Door er al lopend naar te blijven kijken verandert voortdurend de aanblik en het aantal buizen dat je ziet doordat ze zich voor het oog telkens achter elkaar verschuilen en weer tevoorschijn springen, al naar gelang. De kunstenaar wil hiermee constante beweging suggereren, lezen wij. Omdat de zee ook voortdurend in beweging is, kun je denken. En het land uiteindelijk ook. Het hele leven. Doordat het beeld op een aarden wal staat, een terp als het ware, refereert het naar ons idee ook aan de kleine Groningse kerkjes die overal dapper stand houden, tegen alle beweging in. Of de kunstenaar dat óók bedoeld heeft weten we niet, maar dat is het leuke van kunst: je mag het helemaal zelf weten, wat je erin ziet en wat je ervan vindt. Wij vinden het een mooi en krachtig beeld.

DSC01647

De hele dag dat wij hier wandelen hebben we om ons heen knallen gehoord die we na verloop van tijd in verband zijn gaan brengen met de links en rechts voor ons wegschietende hazen. Hier worden voorbereidingen getroffen voor een zalig kerstfeest. Het zal wel schijnheilig en weekhartig zijn, maar we beklagen de hazen. Het komt ons voor dat ze geen schijn van kans hebben in dit lege, lege knollenknollenland, al proberen we ze wel te waarschuwen. Vlak voor Kostverloren zien we tenslotte twee jagermannen die hun auto in het doorweekte gras hadden geparkeerd en hem nu niet meer uit de blubber krijgen, al is het slechts een eenvoudig Berlingootje. Daar moet een toevallige voorbijganger met een burgermans suv aan te pas komen, om dat weer op het droge te krijgen. Tja, denken wij.. wel op onschuldige haasjes schieten, maar niet je eigen auto uit de prut kunnen duwen.
Verderop blijkt onze auto ook vast te zitten in de prut.
Maar wij wandelaars, wij staan ons mannetje.

De wierde van Weiwerd

een wandellimerick

Al wandelend langs het Nederlands Kustpad, hadden wij bedacht, maken we voor iedere plaats waar we doorheen lopen een limerick. Gewoon omdat we dat zelf leuk vinden. Gratis en voor niks. Ieder stadje, ieder dorp, buurtschap of gehucht krijgt er een van ons. Een wandellimerick, zoals we ons zelfverzonnen subgenre hebben gedoopt. De wandellimerick, de naam zegt het al, wordt wandelend gemaakt. Zonder hulp van internet of rijmwoordenboek, of andere hulpmiddelen. Het gaat improviserenderwijs. Stapvoets. Op het ritme van de wandeling. Aanleiding wordt gevonden in wat je ziet als je je ogen de kost geeft, en je fantasie de vrije loop. Er valt altijd wel iets op. Of anders gebeurt er wel iets. Of niets, en dan is dat de aanleiding. Moeilijker hoeft het niet te zijn.

IMG_3759IMG_3761IMG_3762

Het opvallendste aan Weiwerd was dat het er niet meer was. Op een dichtgetimmerde boerderij, een verwaarloosde begraafplaats en een gebouwtje na stonden we op een lege wierde. Met een netwerk van smalle klinkerweggetjes en beukhaagjes werd een soort plattegrond afgetekend van wat wij vermoedden dat vroeger het dorp is geweest. Verder sprong de industrie in het oog, die met rokende schoorstenen, ingewikkelde buizenstelsels en grote golfplaten bouwsels en torens tot aan de rand van het voormalig dorp was opgerukt. Het was duidelijk wat hier was gebeurd. Hetzelfde als in het achter ons liggende Heveskes en het nog voor ons liggende Oterdum. Weiwerd was opgeofferd aan de droom om van Delfzijl het Rotterdam van het Noorden te maken. Ontruimd en afgebroken om plaats te maken voor de expansiedrift van overheid en grootindustrieel. Als derde viel een groot bord aan de toegangsweg tot de wierde op. Het bord van een projektontwikkelaar. Waarop melding werd gemaakt van plannen om de wierde van Weiwerd her in te richten. Een brainwierde, moet het worden. Met nieuwe gebouwen op de fundamenten en binnen de plattegrond van het voormalige dorp. Die ruimte moeten bieden aan kleinschalige industrie waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de aanpalende chemische- en metaalindustrie. En dus de herinnering aan wat ooit was bewaren. Soort van. Tja.

De wierde van Weiwerd

Men kan de wierde van Weiwerd wel her in willen richten,
maar men verzaakte natuurlijk reeds eerder zijn plichten..
want het blijkt onomwonden
dat wat was werd verslonden
door oprukkende industriële vergezichten.

Kijk ook naar een filmpje van het Polygoonjournaal over de laatste dagen van Weiwerd.

De mannen van Farmsum

een wandellimerick

Al wandelend langs het Nederlands Kustpad maken wij voor iedere plaats waar wij door lopen een limerick. Gewoon omdat we dat leuk vinden. Een wandellimerick, zoals we ons zelfverzonnen subgenre hebben gedoopt. Deze komt zonder internet of rijmwoordenboek of andere aanvullende informatie tot stand. Improviserenderwijs. Stapvoets, op het ritme van de wandeling. Aanleiding wordt gevonden in wat je ziet als je je ogen de kost geeft en je fantasie de vrije loop. Er gebeurt altijd wel iets. Er is altijd iets dat opvalt.

IMG_3727

In Farmsum, een tegen Delfzijl aanschurkend stadje, zagen wij de haven in vol bedrijf. Mannen in overalls met bouwhelmen liepen vastberaden heen en weer over de kade van stelconplaten, en gaven afgemeten instructies in walkie talkies. Deze mannen wisten wat ze deden. Kranen deden het zware werk. Boten en bootjes voeren af en aan. In een dok lag een flink schip in de steigers. Hier was men niet voor een kleintje vervaard. Hier werd alles groot aangepakt, met zwaar materieel. En zo zagen wij dan ook een indrukwekkende drijvende kraan met in rode letters de waarschijnlijk toepasselijke naam Triton een pakketje verplaatsen dat in omvang feitelijk een belediging was voor het gevaarte, zo klein.

De mannen van Farmsum

Over de zeedijk lopen we bij Farmsum vandaan
waar mannen met helmen hun mannetje staan:
Zie hoe een piepklein pakket
op z’n plaats wordt gezet
met behulp van een reusachtige drijvende kraan.

If you go chasing rabbits

if you go chasing rabbits, delfzijl

Een nieuwe aanwinst voor de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ waarin wij voorbeelden verzamelen van onze immer ter discussie staande vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs oprijlanen en tuinpaden. Op gazons, in perken en borders. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Bovenstaand tafereel vonden wij in een onderhoudsarme voortuin in Delfzijl.

Lean on me

Je komt het tegen, op je pad. Langs je weg. Ook langs het Nederlands Kustpad. Het is geen kunst, tenminste, zo is het niet bedoeld. Daarom staat het er niet, ligt het er niet. Waarom het er wel staat, is niet altijd even duidelijk. Het is er gewoon. En het zou eigenlijk net zo goed wél kunst kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. Of hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. GeenKunst, noemen wij het genre. Dit beeld troffen we aan de rand van Delfzijl. Werp eventueel ook een blik in de immer uitdijende digitale catalogus van de collectie.

lean on me

De tuin der lusten

de tuin der lusten, delfzijl - kopie

In onze fotorubriek “Tot hier heeft de Heer ons geholpen” verzamelen wij voorbeelden van onze immer veelbesproken vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. In borders en bloemperken. Bovenstaand tafereel vonden wij in een voortuin in Delfzijl.

Het Peil van Delfzijl

een wandellimerick

Voor iedere plaats, stad of dorp waar het Nederlands Kustpad ons door voert, maken wij een limerick. Daarmee vonden we in Stavoren een nieuw subgenre uit, aan de hoofdstam van de light verse. Of het pleijsierdicht, zoals het in het Nederlands wel wordt genoemd. De wandellimerick.
Deze ontstaat wandelend, zonder hulp van internet of rijmwoordenboek. Al improviserend, puur op gevoel. In wandeltempo. Op het ritme van de wandeling. Een aanleiding wordt gevonden in de dingen groot en klein. Dat kan van alles zijn. Van het weer tot een ontmoeting. Er gebeurt altijd wel iets, als je je ogen de kost geeft en je fantasie de vrije loop.

IMG_3701

In Delfzijl, viel ons op, wordt de slagzin ‘Er gaat niets boven Groningen’ letterlijk genomen. Hier houdt Groningen, en daarmee ons land, inderdaad op. Hierboven tref je voorlopig voornamelijk water.
Bovendien was het zo dat wij Delfzijl bereikten in roerige tijden. De Pietendiscussie verscheurde het land. Friese vrijheidsstrijders hadden de oprukkende hordes uit het westen bij Dokkum tot staan gedwongen. De strijd ging allang niet meer over zwart of wit, maar was het des te meer. Oeroude sentimenten kwamen los en sloegen als een Groningse aardbeving een diepe, onoverbrugbare kloof tussen de Provincie en de Randstad. Tussen volk en elite. Als Hoeken en Kabeljauwen stond men tegenover elkaar.
En zonder de boel nou nog erger te willen maken, combineerden wij deze twee gegevens, en vroegen ons plotseling af wat ze er in de provincie eigenlijk van zouden vinden dat hun provinciale wateren werden gemeten volgens Nieuw Amsterdams Peil.

Het Peil van Delfzijl

Het water meet men in Nederland naar Amsterdams Peil,
in de Provincie vindt men dat echter geen stijl:
“De Randstad is doof!
Wij voelen een kloof!
Het meeste water meet men boven Delfzijl!”

IMG_3703

Sail on, sailor

sail on sailor, delfzijl

In onze fotorubriek “Tot hier heeft de Heer ons geholpen” verzamelen wij voorbeelden van onze veelbesproken vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en gazons. In borders en bloemperken. Bovenstaand tafereel vonden wij in een voortuin in Delfzijl.

De hangende keukens van Appingedam

een wandellimerick

Een limerick voor elke plaats waar het Nederlands Kustpad ons doorvoert, dat is het idee. Een wandellimerick, zoals we ons zelfverzonnen subgenre hebben genoemd. Typisch geval van light verse. Of pleijsierdichten, om het in het Nederlands te zeggen. We begonnen ermee in Stavoren dus nu we in Appingedam zijn aanbeland hebben we al een flinke bundel gevuld. Een aanleiding dient zich in de meeste gevallen vanzelf wel aan. Daar doen we ook niet al te moeilijk over. Er gebeurt altijd wel iets, er valt altijd wel iets op.

DSC02978

Van Appingedam om te beginnen al wat een wonderschoon plaatsje het was. Met leuke historische gebogen straatjes, bruggetjes over de gracht, een stokoud raadhuis op het plein, industrieel erfgoed en tal van andere oude gebouwen en gebouwtjes. En de hangende keukens natuurlijk. De houten, boven het water hangende aanbouwen aan de achterkant van veel van de oude huizen. Er viel dus het één en ander te fotograferen, in Appingedam, voor de toerist in ons. En daar viel dan nog iets bij op. Want zodra een inwoner van Appingedam ons de camera zag heffen, maakte die zich fluks, met enig misbaar uit de voeten, om maar niet in beeld te hoeven. Een vrouw met een kinderwagen die zich halsoverkop naar de andere kant van de straat haastte, een postbode die onhandig bijna van haar fiets viel om uit beeld te blijven, een heer met een hond die op veilige afstand bleef staan tot de kust weer veilig was. Geen van allen wilden zij graag op de foto, lieten zij weten. Vreemd. Daar zou je in zo’n pittoresk stadje als Appingedam wel eens een dagtaak aan kunnen hebben.

De hangende keukens van Appingedam

Wie in Appingedam toeristisch fotografeert
wordt met een vreemd verschijnsel geconfronteerd:
Men springt gillend opzij:
“Neem geen foto van mij!
Wij hebben liever dat u onze hangende keukens portretteert.”

Voulez vous coucher avec moi, ce soir?

voulez vous coucher avec moi, ce soir, appingedam

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen we voorbeelden van onze veelbesproken vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. In tuinen en borders. Op stoepen, stoepjes en portiekjes. Langs tuinpad en oprijlaan. Bovenstaand tafereel troffen wij aan in Appingedam.

IJs op de sloot in Tjamsweer

een wandellimerick

Ieder plaatsje waar het Nederlands Kustpad ons doorheen voert, of langs leidt, krijgt van ons een limerick. Dat was het idee. We begonnen ermee in Stavoren en zijn er nog niet mee gestopt, gewoon omdat we het zelf zo aardig vinden om te doen. We kunnen al een stevige bundel vullen met onze wandellimericks, zoals we ons zelfverzonnen genre hebben genoemd. Een aanleiding hoeven we meestal niet lang te zoeken. Er is altijd wel iets dat ons opvalt. En dat kan dan van alles zijn.

DSC02964

In Tjamsweer zagen we bijvoorbeeld het eerste ijs van het seizoen op de sloot liggen. De sloot om het kerkhof, de sloot om de kerk. Gelukkig ligt Tjamsweer in Groningen en niet in Friesland anders hadden we meteen dat oudHollandsch gezeur over de Tocht der Tochten er weer bij gehad en weinig is vervelender dan dat, of het moest de Zwarte Pietendiscussie zijn, die andere wintergast, die inmiddels al net zo oudHollandsch begint te worden. Het was trouwens maar een flinterdun laagje ijs. Eén nacht ijs, zogezegd. En daarover kun je, volgens een oudHollandsch spreeckwoordt, beter niet gaan, als gewone sterveling.

IJs op de sloot in Tjamsweer

Er ligt ijs op de sloot voor de kerk van Tjamsweer.
Maar wil je daarover de sloot heen en weer
ben je echt niet goed wijs
want over één nachtje ijs
is het exclusief voorrecht van Onze Lieve Heer.

Industriële vergezichten

De etappe van Tjamsweer naar Termunterzijl liepen wij op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02966

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3715

Over de kruin van de zeewering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3771

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen.

IMG_3762

Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machineriën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

IMG_3800

Paniek in Arwerd

een wandellimerick

DSC00989

Van regels en uitzonderingen. Al vanaf Stavoren beweren we bij iedere plaats, stad of dorp dat zich altijd wel een aanleiding aandient voor onze wandellimerick. Dat ons altijd wel iets opvalt of te binnen schiet. Dat er altijd wel iets gebeurt dat ons op weg helpt. In de regel is dat ook zo. Maar wat is een regel zonder uitzonderingen? Al is het er maar één. Het enige dat ons in Arwerd opviel was dat er niets was dat ons opviel. Er gebeurde niets. Er was verder eigenlijk ook niets. Alleen dat bord, met die naam. Met geschokt zelfvertrouwen wandelden wij verder, met ons mond vol tanden.

Paniek in Arwerd

Wij hebben, in het licht van onze wandellimericks,
al menig heidens rijmkarweitje gefikst,
totdat het in Arwerd
zelfs ons wat te bar werd..
op Arwerd rijmt namelijk echt helemaal niks.

Puppy love

puppy love tZandt

Een nieuwe aanwinst in onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, waarin wij voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit, waarover maar steeds zoveel te doen is. Langs het Nederlands Kustpad treffen wij hem aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. In borders, op gazons. Of, zoals hier in ‘t Zandt, in de rotstuin.

Brand in ‘t Zandt

een wandellimerick

Wandelend langs het Nederlands Kustpad maken wij voor iedere stad waar we door lopen een limerick. Een wandellimerick. Ieder stadje, dorpje, buurtschap of gehucht krijgt er een van ons. Gratis en voor niks. Het is ons onbaatzuchtig cadeau aan de wereld, die zo af en toe best een opkikkertje kan gebruiken. Een aanleiding vinden we in de meest uiteenlopende dingen. Er valt ons altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat. Een ontmoeting, een gesprekje, een passant. Een uitzicht, een aanzicht of een inzicht.

DSC00933

Voor ’t Zandt beschikten wij over wat voorkennis. Eén van ons wist zich namelijk nog te herinneren dat dit dorp enige tijd werd geteisterd door een pyromaan. De pyromaan van ’t Zandt, zoals hij uiteraard al snel werd genoemd. Die in 2007, zo hebben we nagezocht, een hele reeks branden stichtte maar ondanks de ruime inzet van politie en zelfs het leger lange tijd onvindbaar bleef, uiteindelijk toch werd gepakt, tot twee jaar gevangenis werd veroordeeld maar in 2010 alweer gearresteerd werd op verdenking van 17 nieuwe brandstichtingen in de omgeving, met ditmaal een veroordeling tot vijf jaar als gevolg. Deze dubieuze roem was ’t Zandt dus vooruitgesneld. Tja. Verder leek het een heel aardig plaatsje.

Brand in ‘t Zandt

Het zit zo, sprak de burgemeester van ’t Zandt,
een dorp als dat van ons haalt niet snel de krant..
maar onze pyromaan
heeft in alle bladen gestaan
en nu kennen ze ‘t Zandt dus door héél het land.

Walk and don’t look back

walk and don't look back de diek'n

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veelbesproken, vaak bediscussieerde en naar verluidt zelfs in het gedrang verkerende vaderlandse culturele identiteit. Voorbeelden die we al wandelend langs het Nederlands Kustpad aantreffen langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Borders en gazons. Zoals bovenstaand tafereel in de Diek’n.

De Middeleeuwen in Oldenzijl

een wandellimerick

Voor iedere stad waar het Nederlands Kustpad ons langs of doorheen voert maken wij een limerick, hadden wij dan bedacht. We begonnen ermee in Stavoren en hebben inmiddels een flinke bundel vol, met deze wandellimericks, want zo hebben we ons zelfverzonnen subgenre genoemd. Voor ieder plaatsje, dorp, buurtschap of gehucht maken we er een. Alles kan daarbij een aanleiding zijn. Er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC00883

In Oldenzijl stuiten wij, als in menig ander Gronings plaatsje, op een middeleeuws kerkje, charmant gelegen op een wierde temidden van al dan niet scheefgezakte grafzerken uit verre verledens. Een uit rood baksteen opgetrokken Romaans gebouwtje met wat siermetselwerk dat volgens de informatie als typisch middeleeuws kan worden aangemerkt. Ook typisch middeleeuws is het detail waar ons boekje ons op wijst: de hagioscoop. In één van de zijgevels zit op ooghoogte een klein, bloemvormig venster gemetseld. Naar binnen toe loopt het gat taps uit, als een trechter. Nu is het afgesloten met glazen ruitjes maar in de Middeleeuwen was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te volgen. Wie van zijn herder en naasten de kerk niet mocht betreden, zoals mensen met lepra, de pest of andere besmettelijke ziektes en overspeligen of andere misdadigers, verzamelde zich buiten de kerk aan deze hagioscoop om zo toch nog een glimp op te vangen van het welbehagen dat binnen gevierd werd. Het warme gemeenschapsgevoel dat religie ons brengt. En wellicht ook van de genade van de Heer, je weet het niet.

De Middeleeuwen in Oldenzijl

Had je in middeleeuws Oldenzyl de builenpest
dan mocht je dus níet in de kerk met de rest..
Door die hagioscoop
zag je dan best nog een hoop
maar je voelde je toch wel een beetje geflest.

Just my luck!

just my luck, uithuizen

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit. we treffen ze aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. In borders en op gazons. Of aan de muur, zoals hier, net buiten Uithuizen.

De Menkemakat in Uithuizen

een wandellimerick

Voor iedere stad waar het Nederlands Kustpad ons door leidt, maken wij al wandelend een limerick. Een wandellimerick, zoals we onze zelfverzonnen light verse vertakking hebben gedoopt. Elk stadje, plaatsje, dorp of gehucht krijgt er één van ons. Gratis en voor niks. Gewoon omdat wij dat leuk vinden. Een aanleiding is meestal snel gevonden. Er valt altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat.
In Uithuizen brachten wij een bezoek aan de Menkemaborg. Dat wil zeggen, met name het Skathoes had deze dag onze belangstelling omdat we er na een lange autorit de wandeling konden beginnen met een koffie.

DSC00860

De Menkemaborg is een grote herenboerderij waarvan de rijke geschiedenis teruggaat tot de veertiende eeuw. In de loop der jaren groeide de eerste stenen bebouwing uit tot een waar paleis, met Engelse tuin en slotgracht en al, en tot aan het begin van de vorige eeuw werd er door de zogenoemde adel gewoond. Inmiddels is het een museum en op vertoon van je museumjaarkaart kun je je vergapen aan de pracht en praal waarmee de dames en heren jonker en jonkvrouw zich in de 17e eeuw zoal omringden. Het Skathoes, ofwel het Schathuis, is nu het restaurant maar was in vroeger tijden de feitelijke boerderij van de borg. Hier waren de stallen – skat is dialect voor vee – en werden de gewassen opgeslagen.
Bij vertrek werden wij uitgelaten door de kat des huizes die ons een kenmerkend rondje rond de benen draaide en daarna met ongeïnteresseerd dédain op één van de terrastafels plaatsnam, met zijn borg pittoresk op de achtergrond.

De Menkemakat in Uithuizen

De kat van de Menkemaborg in Uithuizen
was nogal kieskeurig, bij het vangen van muizen.
Hij zei: het is dan wel het platteland,
maar ik blijf tóch een kat van stand,
dus blief ik uitsluitend: de muis van goeden huize.

Het rijke Groningse verleden

De etappe van Uithuizen naar Tjamsweer liepen we op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen.

DSC00857

Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00870

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00901

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.
Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.

DSC00976

We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.
Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.

Herrie in Doodstil

een wandellimerick

Een limerick voor iedere plaats waar we doorheen lopen, dat is het idee. We begonnen ermee in Stavoren en inmiddels hebben we een flinke bundel vol gerijmd. Wandellimericks, noemen we onze vinding. Een aanleiding is meestal snel gevonden. Die dient zich wel aan. Er valt ons altijd wel iets op, of anders gebeurt er wel iets.

De mooiste plaatsnaam van Nederland

In Doodstil hoefden we al helemaal niet te zoeken natuurlijk, daar stond de aanleiding gewoon op het blauwe bord aan het begin van de bebouwde kom. Wat een naam! Meteen alweer uitgeroepen tot de mooiste plaatsnaam van Nederland, want ja, als de overtreffende trap er niet aan te pas komt deugt het niet in het platste land van Europa. Maar goed. Hoogstwaarschijnlijk zal de uitverkiezing mede zijn gebaseerd op het idee dat het hier, in dit kleine dorpje op het Groningse platteland in het hoge Noorden van Nederland, ook wel héél stil zal zijn. Toepasselijke naam, zal er gedacht zijn, denken wij. En wat fijn dat het in ons drukke landje toch nog ergens zo stil als vroeger kan zijn. Maar dat klopt dus niet, lazen wij. Al doen over de werkelijke herkomst van de naam allerlei wilde verhalen de ronde.
Een til is een brug, in Groningen, om te beginnen. In dit geval over het Boterdiep. Een brug die toeloopt in een punt zodat boten er onderdoor kunnen varen. Het saaiste verhaal is vervolgens dat de til waar het hier over gaat ooit heeft toebehoord aan ene meneer Doede, en dat dat verbasterd is van Doedes Til naar Doodstil. Een andere verklaring is dat de til op de route lag naar het kerkhof en daarom de til des doods, de doodstil zou zijn gaan heten. Er zou ooit een lijkwagen met kist en al door de brug zijn gezakt, waarna men van de doodstil is gaan spreken. Weer een ander zegt dat de til er pas is gekomen nadat een doodskist, op weg naar het kerkhof, bij het per boot oversteken van het Boterdiep, te water raakte en zonk. Een schaatser zou zijn hoofd aan de til hebben gestoten en dood zijn neergevallen. Er zou een gestolen varken onder de brug zijn geslacht, wat in grote stilte zou moeten zijn geschied, om ontdekking te voorkomen.
Kies er maar één uit, zouden wij zeggen.
Ironisch detail dat niet onvermeld mag blijven is nog dat sinds de uitverkiezing tot mooiste plaatsnaam van Nederland Doodstil steeds meer bezoek is gaan krijgen van fietsers en wandelaars die op de foto willen met het beroemdste naambord van Groningen. De borden zijn inmiddels zelfs extra stevig bevestigd omdat ze nogal eens worden meegenomen. Door de brutaalste bezoekers van Doodstil, waarschijnlijk.

Herrie in Doodstil

Een gesmoorde lach mondde uit in een gil,
omdat een wandelaar ook wel eens lachen wil.
Een man met een hond
riep: houd toch je mond!
Voordat jullie hier waren was het écht Doodstil.

Zelfs een ezel in ‘t gemeen..

zelfs een ezel in het gemeen.. uithuizen

Een nieuwe aanwinst in de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, waarin wij voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit zoals wij die aantreffen langs oprijlanen en tuinpaden van het Nederlands Kustpad. Op terrassen, stoepen en stoepjes. Bovenstaand tafereel vonden wij in Uithuizen.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

een wandellimerick

Wandelend langs de noordelijke kusten van het vaderland, over het Nederlands Kustpad, maken wij voor ieder plaatsje waar wij door lopen een limerick. Een wandellimerick, voor ieder dorpje, ieder stadje, buurtschap of gehucht. En alles kan een aanleiding zijn, er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC09730

In Rottum staat het kleinste huisje van Groningen. Misschien wel het kleinste huisje van Groningen, volgens voorzichtiger bronnen. Hoe dan ook, klein is het zeker. Twaalf vierkante meter, hooguit. Het heeft één kamer, een bedstee, een keukentjetje en het secreet stond buiten. Geen badkamer, geen douche. Toch hebben hier gezinnen met kinderen in gewoond. Tot in 1953 aan toe. De laatste bewoonster is nu 80 en woont volgens de laatste berichten in een bejaardenwoning. Om even een tijdsperspectief te schetsen. Niet te geloven. Wij moeten het vandaag delen met één andere wandelaar en dat is feitelijk niet te doen, het past gewoon niet.
In de tuin staat een borstbeeld van Jan Boer, een plaatselijk schrijver en dichter die in dialect publiceerde en waarmee het huisje in verband wordt gebracht. In eerste instantie dachten wij dat het zijn geboortehuis was, maar dat bleek er later juist tegenover te staan. Toen was het misschien later zijn woonhuis, in onze gedachtengang, maar ook dat bleek onjuist. Het hoeske en haar verschillende bewoners hebben een rol gespeeld in veel van zijn verhalen. Dat is de connectie. Het huisje is nu een museumpje en het is ingericht zoals er in 1835 zo ongeveer in werd gewoond, ruim vóór de geboorte van Jan Boer. Het is misschien wel het kleinste museum van Groningen, dat dan weer wel.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

In Rottum doet men nogal stoer
over het hoeske van dialectschrijver Boer:
Het is een attractie van formaat
waar de toerist graag in de rij voor staat..
maar met z’n drieën naar binnen blijkt nog een hele toer.

Met de vlam in de pijp

met de vlam in de pijp

Wij gingen op zoek naar de vaderlandse culturele identiteit, waar zoveel om en over te doen is. Wij waren benieuwd hoe die er uit zou zien. Waar het hem in zou zitten. Langs het Nederlands Kustpad vonden we hem. Daar stond hij. Langs tuinpaden en oprijlanen. In borders en op gazons. Op stoepen, stoepjes en terrassen. We verzamelden talloze voorbeelden in onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’. Bovenstaand schouwspel troffen wij in Uithuizen.

Een Griekse vakantie in Breede

een wandellimerick

De wandellimerick. Onze zelfverzonnen loot aan de stam van de light verse. Drs P zou zijn neus er voor ophalen, want die hield niet van limericks. Te simpel misschien, voor hem, of te plat. Maar wij hebben er veel pleijsier van, dus, met alle respect voor wijlen de doctorandus, wij doen as wat wij willen en maken er één voor ieder dorpje, stadje en plaatsje groot of klein waar we doorheen wandelen. De eerste was voor Stavoren en al wandelend hebben we inmiddels een flinke bundel volverzonnen, kijk maar eens in de archieven. Als aanleiding hebben we weinig nodig, het kan zo goed als alles zijn. Er valt ons altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat.

DSC09670

In Breede zagen wij een kerkje staan. Op een wierde. Het was een Gronings kerkje zoals er veel op ons pad komen. Een eenvoudig, klein kerkje van Romaans model met een dakruiter. Het bijzondere aan dit kerkje was niet alleen dat het zo goed als óp een camping stond, maar ook dat het rondom helwit was afgestuct en een felrood koepeltje boven de klok had staan. Twee felrode luikjes hoog in de achtergevel, om het wit nog wat te benadrukken. Het zag er al met al wat onGronings uit. Sterker nog, zo afstekend tegen de blauwe hemel deed het bepaald zuid Europees aan. En wij stelden ons zo voor dat je op de camping van Breede in Groningen ’s ochtends je tentje openritst, op een zonnige zomerochtend, en je heel even op een verre bestemming als Griekenland waant.

Een Griekse vakantie in Breede

Wie voor een reis naar Kreta niet genoeg heeft te besteden
kan zich altijd nog melden op de camping van Breede,
daar de belendende kerk
Grieks wit afsteekt tegen ‘t zwerk..
Zo wordt tevens de file naar het Zuiden vermeden.

Museumbezoek in Warffum

een wandellimerick

Van ieder stadje waar we langslopen, op onze tocht langs de kusten van noordelijk Nederland, maken we een limerick. Ieder plaatsje, dorpje, buurtschap of gehucht krijgt er éen van ons. Gratis en voor niks. Puur voor ons eigen pleysier. Een wandellimerick, zoals wij onze zelf uitgevonden loot aan de stam van de light verse hebben gedoopt. Aanleidingen dienen zich in de regel vanzelf wel aan. Er is altijd wel iets dat ons opvalt. En anders gebeurt er wel iets, of juist niets. We hebben een ontmoeting of een gesprekje, we zien een beeld, een vreemde vogel, een straatnaam.. alles kan.
In Warffum belanden wij op het terras van openluchtmuseum het Hoogeland, het is heerlijk weer. In twintig oude gebouwen, vertelt ons de website, wordt hier het verleden van het gebied, dat het Hoge Land heet, levend gehouden voor generaties die komen. Er zijn woonkamers, slaapkamers en werkplaatsen ingericht zoals ze er honderd jaar geleden uitgezien moeten hebben. Alsof de bewoner net even naar het secreet is en elk moment weer binnen kan komen lopen, aldus nog altijd de website van het museum. De bezoeker krijgt de kans het onthaaste leven uit vroeger tijden op te snuiven, het goede leven zonder smartphone, beeldscherm of magnetron.
Daar zit een zwaar geromantiseerd luchtje aan, zou je ook kunnen denken, als je het een beetje gehad zou hebben met die eeuwige verheerlijking van oudHollandsche vroeger was alles beter normen en waarden nostalgie. Het onthaaste leven zonder gezondheidszorg, onderwijs voor iedereen, sociale voorzieningen en vrouwenstemrecht, zou je er ook kunnen opsnuiven, als je cynisch wilde zijn. Het goede leven van uitbuiting, bittere armoe en kinderarbeid. Een levensverwachting van amper 45 jaar, kom er nog eens om.
Maar goed, het is mooi weer en daar willen we het helemaal niet over hebben. Bovendien komen wij niet eens toe aan een bezoek van het museum als we ook nog een etappe uit willen lopen. Het is kiezen of delen, op zo’n dag. En zo komen we niet verder dan het terras van het museum en kunnen we helemaal nergens over meepraten. Het enige verleden dat we proeven is de poffert met kaneelroom. Een aanrader.

DSC09683

Museumbezoek in Warffum

In Warffum zette men een museum op poten
waarin de geschiedenis van ’t Hoge Land wordt ontsloten..
Helaas hebben wij
van alle erfgoed op rij
alleen de poffert met kaneelroom genoten.

De drummer van de band

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit, waar zo vaak zo veel om te doen is. We treffen ze aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Op gazons, in perken en borders. Of ingemetseld in de muur, zoals dit voorbeeld, dat we in Warffum tegenkwamen. Het deed ons aan Loesje denken. Loesje, met dat leuke bloesje.. het snoesje van de drummer van de band. Over vaderlandse culturele identiteit gesproken..

de drummer van de band

Ter kerke in Baflo

een wandellimerick

DSC09646

Een limerick voor elke plaats waar we door lopen, langs het Nederlands Kustpad, dat is het idee. Ieder stadje, ieder dorp, ieder buurtschap of gehucht. We begonnen ermee in Hindeloopen, daar drong de eerste zich aan ons op. Sindsdien schreven we een kloeke bundel vol en het einde is nog niet in zicht want we beleven er zelf veel pleizier aan. Wandellimericks, noemen wij onze zelfverzonnen loot aan de boom van de light verse. Aanleidingen hoeven we vaak niet te zoeken, die dienen zich meestal zelf wel aan. Er is altijd wel iets dat gebeurt, er is altijd wel iets dat ons opvalt.
In Baflo trof ons de kerk. Wij troffen het kerkje, hoog op zijn wierde. Een middeleeuws kerkje was het, met, opvallend, een losstaande toren. De buitenmuren van het kerkje verrieden een roerig bestaan. Een lappendeken van metselwerk uit verschillende tijden, hier was het nodige aan aangepast en gerestaureerd. Gevelstenen getuigden in elk geval van opknapbeurten in 1656 en 1808.
Wij wilden juist aan een snel rondje om deze kerk beginnen, de camera in de aanslag, toen de voordeur openging en er een mevrouw naar buiten kwam. Het was duidelijk dat ze de boel eigenlijk meteen weer af wilde sluiten, op weg naar huis allicht, maar toen ze ons zag, vroeg ze uitnodigend of wij misschien binnen wilden kijken. Zo werd het voor ons een buitenkansje waar we graag op in gingen. De mevrouw maakte zich bekend als vrijwilliger van het kerkje. Aan de deur van het kerkje hing een bordje met een telefoonnummer dat je kon bellen, wanneer je de kerk wilde bezichtigen. Dat telefoonnummer was zij. Op ons navragen vertelde zij dat ze niet zo vaak werd gebeld, maar dat als ze gebeld werd ze bijna altijd meteen wel kwam, tenzij het echt niet kon. Ze deed het graag. Gebruikte nooit een smoes, had nooit geen zin om te komen.

Ter kerke in Baflo

In Baflo vonden wij de deur van de kerk van ’t slot
en ontmoetten daarachter de sleutelbewaarster van God.
Zij bekende terstond
hoe fíjn zij dit vond,
want anders, tenslotte, stond ze hier voor Piet Snot.

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

De etappe van Baflo naar Uithuizen liepen we op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09637

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.

DSC09639

We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.

DSC09650

Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.
Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09696

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.

 

De vistrap Abelstok

een wandellimerick

DSC08731

Goed, normaalgesproken maken we een wandellimerick voor een plaatsje waar we door lopen, op onze wandeling langs het Nederlands Kustpad. Een dorpje, een stadje, een buurtschap, een gehucht. Dat is de regel van het genre. Maar wat is een regel zonder uitzondering? En bovendien, het is light verse, dus dat kan wat hebben.
Ergens tussen Warfhuizen en Mensingeweer treffen we een futuristisch aandoend gebouw aan het water. Een kruispunt van wateren. Het is het gemaal Abelstok. We staan hier op de rand van het gaswinningsgebied en daar heeft men te maken met een zakkende bodem. Het gemaal Abelstok is één van een aantal gemalen die het grondwaterpeil in het gebied aanpassen aan de dalende bodem. Een dalende bodem zorgt voor een hoger grondwaterpeil en dat is niet goed voor de boeren. Zoiets. Het overtollig water wordt dus weggepompt in de Hoornse Vaart. Wij raken hier aan de praat met een meneer met een hondje. De meneer houdt wel van een praatje, en het hondje legt zich daar hijgend bij neer. Het is een warme dag. Over het gemaal weet de meneer te vertellen dat dat is uitgerust met een vistrap. Waarover de vis zich zonder gevaar voor eigen leven langs het gemaal kan verplaatsen. De meneer heeft er nog nooit een vis in gezien. Dus. Aan zijn toon is wel te merken wat hij er van vindt. Een vistrap.. Tss.. Linkse milieugekkies.

De vistrap Abelstok

De overheid raakt nu toch echt op drift,
want zo’n vistrap, mensen, dat is toch geschift?
Het is van de gekke!
Men laat ons verrekken!
Wij vissen, wij eisen een lift!

Alice and the marshmallowfactory

Je komt het tegen op je weg, langs het pad dat je wandelt. Het ís geen kunst, het is niet bedoeld als kunst, het is niet door een kunstenaar gemaakt.. het ligt er gewoon, het staat er gewoon, het is er gewoon.. maar als je er met de juiste ogen naar kijkt.. met de juiste instelling.. dan zou het eigenlijk net zo goed wél kunst kunnen zijn. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Zoals met veel dingen. Ook met kunst. GeenKunst, noemen we deze toevallige, gevonden kunst. Onderstaand beeld vonden wij op weg naar Warfhuizen. We zagen het lang van tevoren al aankomen en keken er nog lang op terug.
Bekijk eventueel ook de nimmer volledige maar immer uitbreidende catalogus.

Alice and the marshmellow factory

Het wierdekerkhof van Maarhuizen

een wandellimerick

DSC08767

Wandelend langs het Nederlands Kustpad bedenken wij voor ieder plaatsje waar we door lopen een limerick. De door onszelf zo genoemde wandellimerick, een nieuwe loot aan de stam van de light verse. Ieder stadje, ieder dorp, elk gehucht krijgt er één van ons. Gratis en voor niks. Het is al een hele bundel geworden zo onderhand. Een aanleiding zien wij in uiteenlopende zaken groot of klein. Het kan een ontmoeting zijn, of een gesprekje. Een uitzicht, het weer, een voorval. Alles, daar zijn wij gemakkelijk in.
In Maarhuizen sloop de actualiteit erin, want dat kan natuurlijk ook. We lopen niet alleen door het landschap, langs cultuur en geschiedenis, we lopen ook in het hier en nu van vandaag.
Maarhuizen is een wierdedorp dat volgens de digitale annalen al in 1000 v Chr bewoond werd, maar nooit veel groter is geweest dan klein. Een handvol boerderijen op en rondom de wierde die eeuwenlang in het bezit waren van enkele families. De wierde, zoals veel wierden en terpen in deze contreien, is begin vorige eeuw gedeeltelijk weggegraven, om de vruchtbare grond waarvan hij was opgeworpen te kunnen verkopen. Wat wij van Maarhuizen zagen was maar één boerderij. En daar was het doodstil. Het huis leek geheel verlaten, de stallen en schuren waren het zeker, het erf maakte een verwaarloosde indruk. Hier was niemand meer. Een gedeelte van de bebouwing stond in de stutten. Wat ons uiteraard op het idee bracht dat één en ander te maken had met aardbevingen, gaswinning en instortingsgevaar. Daar had je ‘m, de actualiteit. Al waren we nog niet echt in aardbevingsgebied doorgedrongen, in onze invulling waren de inwoners van Maarhuizen gevlucht. Het enige dat wij verder nog zagen was het ommuurde kerkhof, dat bij ontstentenis van een kerk dus eigenlijk begraafplaats genoemd moet worden. Een verstilde plek, verscholen in groen. Een rustplaats voor hen die achterbleven. En mocht het allemaal niet waar zijn, wat wij hier bedenken, dan staat de limerick symbool voor al die andere plekken in Groningen waarvoor het wel waar is.

Het wierdekerkhof van Maarhuizen

In Maarhuizen is het leven
op de vlucht gegaan voor het beven.
De NAM kwam en nam
en niemand ontkwam..
alleen de doden, die zijn gebleven.