Op het spoor van De Wandelaar

We zijn al weer een tijdje onderweg met het Hollands Kustpad, deel 3, wandelzwager en ik. Nietsvermoedend beginnen we vandaag aan de etappe van Makkum naar Harlingen. De auto hebben we geparkeerd in een keurige woonwijk, van waaruit je zo het Friese platteland op loopt. Het is goed wandelweer en al snel doorkruisen we een weiland en vervolgen onze weg langs een vaart. We lopen over een boerenerf, altijd weer spannend of daar misschien een grote hond op ons ligt te wachten. En dan plotseling staat er een uitnodigende picknickbank, met een plastic bakje eraan bevestigd. In dat bakje ligt een schrift. En daarin kom ik een oude bekende tegen. Willem de Haan, alias Willem de Wandelaar, heeft hier gezorgd voor een bankje en een boekje. Met Willem liep ik een aantal jaren geleden rond Kerstmis een wandeling over, wat over is van, de Pingjumer Gouden Halsband, de dijk die Pingjum ooit beschermde tegen de zee. Omdat de Pingjumer Gulden Halsband  in verval was geraakt, hebben een aantal mensen een werkgroep Behoud en Herstel Pingjumer Gulden Halsband opgericht. Zij hebben eerst in kaart gebracht hoe het ervoor staat met de dijk en hebben vervolgens allerlei activiteiten ontplooid  om het cultuurhistorisch erfgoed te behouden. Mooi om je voor een dergelijk project in je eigen woonomgeving hard te maken.
juli 117

Advertisements

Het badhuis

Image
Toen we onlangs tijdens de Haagse etappe van het Hollands Kustpad langs het badhuis in de Haagse wijk Loosduinen liepen, kwamen allerlei herinneringen boven. Tussen 1968 en 1975 ging ik op zaterdagavond met mijn vader, moeder en jongste broer naar het badhuis. Nee, wij woonden niet in een achtergebleven gebied. Wij woonden in de stad. Nou ja, in de stad. Wij woonden in het niemandsland  tussen de stad aan de ene kant en de zee aan de andere kant. Daartussen was platteland, tuindersgebied. Daar woonden wij aan een doodlopende sintelweg.

Ik leefde daar een leven dat nogal afweek van het leven van mijn schoolvriendinnetjes. Zij woonden in rijtjeshuizen en flats met centrale verwarming en een douche. Wij woonden in een oud, versleten tuindershuis, we hadden een kolenkachel en gingen naar het badhuis.

Zaterdag laat in de middag vertrokken wij met de auto naar het badhuis. Handdoek en toiletspullen mee in een plastic tas. Als je de deur opentrok kwam de geur van Sunlightzeep en shampoo je tegemoet en stoom, veel stoom. Eerst kocht je een kaartje aan het loket. Later werd er een automaat opgehangen en trok je een kaartje uit de automaat. Een kaartje voor één “stortbad”. We gingen zitten op de banken bij de ingang.  Het waren altijd dezelfde mensen die tegen de avond in het badhuis waren. Mijn vader kende iedereen en mijn broer bijna iedereen. De badmeester riep je als je aan de beurt was. Als mijn vader in een gesprek was, liet hij ook wel eens zijn beurt voorbij gaan. Van haast had men nog nooit gehoord.  Voordat je in het badhokje ging spoot de badmeester het schoon met de spuit en haalde hij er een reusachtige wisser doorheen. Ik had altijd een voorkeur voor een bepaald hokje, maar ik weet niet waarom.

Er waren zo’n dertig badhokjes. Rechts, de dameshokjes en links die van de heren. Eerst ging ik samen met mijn moeder in één hokje, later had ik mijn eigen hokje. Er werd gezongen en er werden moppen verteld. Ook werd er van alles geroepen “wie zit er naast me, mag ik effe je shampoo lenen” of “hé Lange, ga je nog voetballen morgen”?. Het was er gezellig. Mijn moeder en ik zeiden niet veel, maar moesten lachen om wat om ons heen gebeurde. Als de badmeester vond dat je te lang werk had bonkte hij op je deur. “Wat denk ie ervan, meer ken d’r niet af!”

Als iedereen van de familie klaar was gingen we naar huis. Als het vroor kwamen we thuis met bevroren haren. Thuis aten we soep met balletjes en brood. Zo ging dat op zaterdagavond.

Jongeren, waren we

Hollands Kustpad, tweede etappe, Loosduinen en Den Haag

Een wandeling over onze geboortegrond. Een Haagse etappe. Van Loosduinen, via Kijkduin en Scheveningen naar de Lange Poten. En het Plein. We hoeven niet echt te zoeken, naar onze roots, vandaag. We struikelen erover op iedere straathoek. Op ieder duinpad, achter iedere bocht. We hadden nog gedacht de voorgeschreven route uit te breiden met uitstapjes langs al onze belangrijke plekken. Geboortehuizen, scholen, discotheken, café’s. Parken, speeltuinen en plantsoenen. Maar het was geen doen. Het zou teveel zijn geworden. We hadden er een week voor uit moeten trekken. Minstens. En dan nog.. We leggen ons neer bij het feit dat Den Haag voor ons één grote belangrijke plek is, en beperken ons tot een enkel uitstapje. Naar toen we nog jongeren waren.
In Loosduinen bijvoorbeeld, waar we uit lijn 2 stappen,  staan we toch zeker vijfendertig jaar na dato voor het eerst weer voor de klassieke poort van het St Leonardus Gesticht. Het zal toen ook al zo geheten hebben, maar ik heb het idee dat het me nu pas opvalt. Net als de geornamenteerde trapgevel die nu zo nadrukkelijk boven ons uittorent. Toen was het ons Jongerencentrum, onze soos, ‘tJoc. We kwamen er jarenlang minstens één keer per week. In zekere zin het begin van dit hele verhaal, omdat mijn schoonzus hier en toen mijn schoonzus werd. En ik dus haar zwager. Een goed begin daarom voor een gezamenlijke nostalgische wandeling. We kijken wat door de ramen naar binnen en proberen elkaar te herinneren hoe het was. Daar stond de bar, en daar stond de bank, en hier repeteerde de band. We voelen ons het onderwerp van zo’n mild melancholieke top2000 minidocumentaire, zoals die deze weken weer op tv zijn. We maken maar eens een foto, want wat moet je anders. Maar herinneringen laten zich niet echt fotograferen.

Image

Nu we er toch zijn, lopen we ook nog maar even langs het voormalig badhuis, aan de Luxemburgstraat. Ooit voerden we actie, op het schoolplein ervoor. Het badhuis stond leeg en wij wilden het wel gebruiken, als nieuw en groter clubhuis. Met spandoeken en zelfverzonnen sketches en liedjes en een punkband tot besluit probeerden we de anderhalve belangstellende van onze noodzaak te overtuigen. Achter de gesloten deuren van het badhuis was de blaffende politiehond, die er voor de zekerheid in was losgelaten, de enige die ons serieus nam. Onterecht natuurlijk. Het badhuis kregen we niet, maar het staat er nog steeds. Een sportschool, lijkt het geworden. De gymzaal verderop, die we later wel kregen, is afgebroken. Daar wonen nu gezinnen, met de jongeren van morgen.

Image

Mijn schoonzus werpt trouwens alsnog een heel nieuw licht op de zaak door nu pas te vertellen dat zij als kind jarenlang wekelijks in dit badhuis kwam. Om te douchen. Met het hele gezin. Een verhaal dat mij zó ouderwets in de oren klinkt dat ik me afvraag hoe oud we inmiddels wel niet geworden zijn.
Richting Scheveningen tenslotte loop ik opnieuw de route van het laatste ouderlijk huis, in de Van Lumeystraat, naar mijn eerste eigen kamer. De route van mijn verhuizing naar de vrijheid. Een verhuizing die ik destijds ook makkelijk lopend afkon. Niet alleen omdat het drie straten verderop was, maar ook omdat ik niets anders mee had te nemen dan mijn eigen kleren, een theedoek en een versleten braadpan van mijn moeder. Ik kwam terecht in een kamertje aan de Westduinweg, boven een stomerij waar ook op zaterdagochtend al vroeg begonnen werd. Het ziet er nu verlaten uit. Het ooit vertrouwde gesis en geblaas van machines is verstomd, de lucht van perchloride opgetrokken, de ramen afgeplakt met wit papier. Het pand lijkt zich zelf ook niet meer te kunnen voorstellen dat het ooit thuis was.

Image

Op iedere straathoek een herinnering

AfbeeldingWe lopen vandaag, 29 december,  de Haagse etappe van het Hollands Kustpad. We hebben de etappe iets aangepast omdat we een paar belangrijke plekken willen aandoen. Een school, een huis van weleer en natuurlijk de plek waar ik ruim dertig jaar geleden niet alleen mijn man, maar ook zijn broer voor het eerst ontmoette. Uitgerekend met die broer loop ik het Hollands Kustpad.  In Den Haag ligt op bijna iedere straathoek wel een herinnering. Dat geldt voor mij zeker in Loosduinen waar ik ben geboren en mijn kindertijd heb doorgebracht. Ik ben een Peenbuiker, zoals  Loosduiners liefkozend worden genoemd. Loosduinen was ooit een zelfstandig tuindersdorp tussen Den Haag en het Westland in. Er werden opvallend veel wortels, penen verbouwd. Het dorp werd in 1923 bij Den Haag gevoegd.

Voordat we bij mijn moeder op de koffie gaan in het bejaardenhuis, waar we vorige keer zijn geëindigd, lopen we langs het gebouw waarin ooit een jongerencentrum gevestigd was. Daar kwam ik op mijn 18e poolshoogte nemen en ging ik zingen in een soort van bandje, met de inspirerende naam “Muziekgroep 2”. In “Muziekgroep 2” speelde een jongen gitaar waar ik inmiddels 30 jaar mee getrouwd ben.
Het jongerencentrum is niet meer. Het is opgegaan in oefenruimtes van het Haags Popcentrum. Ook de plek waar ik geboren ben is er niet meer. Onder de rook van de schoorsteen van de Vredesteinfabriek, woonden wij met het gezin in een oud tuindershuis. Een bouwvallig huis, zonder douche en riolering. Mijn vader had er een transportbedrijf en we hadden veel niet, maar ook veel wel. Wij hadden bijvoorbeeld ruimte. Als je een geit wilde gaan houden, dan deed je dat. Hutten bouwen, konijnen fokken in een oude caravan. Het kon allemaal. Achteraf gezien, woonden we in een soort vrijstaat aan de doodlopende Laan van de Kroft.
We werden uitgekocht omdat er een nieuwbouwwijk (Houtwijk) moest komen. We verhuisden naar een andere kant van Loosduinen. Er kwam een gloednieuw bedrijf met woonhuis. Maar zoals dat gaat, ook dit huis werd afgebroken. De Gemeente Den Haag heeft nogal last van expansiedrang. Het transportbedrijf werd voor de tweede keer uitgekocht. De plek is echter nog wel te traceren. Tijdens de vorige etappe hebben we er een foto gemaakt.
hier was het

Mijn oude lagere school is  er gelukkig nog altijd. Je kunt niet meer op het schoolplein, er staat een hek voor.

Oh oh

Ik hoorde het nummer vanmiddag op de radio, in de eeuwigdurende top 2000, en zo dacht ik alvast vooruit aan de nieuwe etappe van morgen: een wandeling dwars door Den Haag. En ik bedacht hoe een dagje Den Haag wel altijd een sentimental journey zal blijven. Zoals ook blijkt uit dit stukje, dat ik in 2009 al plaatste, op Het Bewijs, mijn weblog van een huisvader:

Zonder zijn gezin was de man voor een weekendje naar zijn geboortestad getrokken. Den Haag. ’s-Gravenhage. De stad waar hij zijn hele leven gewoond had. De stad waar hij nu drie jaar niet meer woonde.
Om vrienden te bezoeken, uit eten te gaan, een wijntje te drinken en bij te kletsen.
Een filmpje te pikken.
En op een geleende fiets had hij urenlang met zijn bol in de zon langs bekende straten en pleinen gereden. Park en Hout doorkruist. Duinen en strand bezocht. Koffie op Kijkduin, een haring op Scheveningen, een biertje op de Grote Markt. Een bezoek aan de Bijenkorf.
En het was niet dat hij heimwee had, dat niet, want de enorme drukte, het gekrioel en het voortdurend geraas waren hem al snel weer genoeg geweest, maar het had hem verbaasd hoe thuis hij zich evengoed nog voelde. Hoe makkelijk hij zich voegde. Hoe vanzelfsprekend het was, dat hij er was.
Dus zó hij iets wás, had de man in stijl gedacht, was hij misschien toch meer een Hagenaar dan hij zelf had gedacht.

Bovendien, bedacht ik bij het terugzien zojuist, werd dit clipje opgenomen langs de eerste etappe van het Hollands Kustpad. Waarmee wij dus eigenlijk wel zo’n beetje heilige grond hebben bewandeld. Naar Haagse begrippen natuurlijk hè?