De Middeleeuwen in Oldenzijl

een wandellimerick

Voor iedere stad waar het Nederlands Kustpad ons langs of doorheen voert maken wij een limerick, hadden wij dan bedacht. We begonnen ermee in Stavoren en hebben inmiddels een flinke bundel vol, met deze wandellimericks, want zo hebben we ons zelfverzonnen subgenre genoemd. Voor ieder plaatsje, dorp, buurtschap of gehucht maken we er een. Alles kan daarbij een aanleiding zijn. Er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC00883

In Oldenzijl stuiten wij, als in menig ander Gronings plaatsje, op een middeleeuws kerkje, charmant gelegen op een wierde temidden van al dan niet scheefgezakte grafzerken uit verre verledens. Een uit rood baksteen opgetrokken Romaans gebouwtje met wat siermetselwerk dat volgens de informatie als typisch middeleeuws kan worden aangemerkt. Ook typisch middeleeuws is het detail waar ons boekje ons op wijst: de hagioscoop. In één van de zijgevels zit op ooghoogte een klein, bloemvormig venster gemetseld. Naar binnen toe loopt het gat taps uit, als een trechter. Nu is het afgesloten met glazen ruitjes maar in de Middeleeuwen was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te volgen. Wie van zijn herder en naasten de kerk niet mocht betreden, zoals mensen met lepra, de pest of andere besmettelijke ziektes en overspeligen of andere misdadigers, verzamelde zich buiten de kerk aan deze hagioscoop om zo toch nog een glimp op te vangen van het welbehagen dat binnen gevierd werd. Het warme gemeenschapsgevoel dat religie ons brengt. En wellicht ook van de genade van de Heer, je weet het niet.

De Middeleeuwen in Oldenzijl

Had je in middeleeuws Oldenzyl de builenpest
dan mocht je dus níet in de kerk met de rest..
Door die hagioscoop
zag je dan best nog een hoop
maar je voelde je toch wel een beetje geflest.

Advertisements

Herrie in Doodstil

een wandellimerick

Een limerick voor iedere plaats waar we doorheen lopen, dat is het idee. We begonnen ermee in Stavoren en inmiddels hebben we een flinke bundel vol gerijmd. Wandellimericks, noemen we onze vinding. Een aanleiding is meestal snel gevonden. Die dient zich wel aan. Er valt ons altijd wel iets op, of anders gebeurt er wel iets.

De mooiste plaatsnaam van Nederland

In Doodstil hoefden we al helemaal niet te zoeken natuurlijk, daar stond de aanleiding gewoon op het blauwe bord aan het begin van de bebouwde kom. Wat een naam! Meteen alweer uitgeroepen tot de mooiste plaatsnaam van Nederland, want ja, als de overtreffende trap er niet aan te pas komt deugt het niet in het platste land van Europa. Maar goed. Hoogstwaarschijnlijk zal de uitverkiezing mede zijn gebaseerd op het idee dat het hier, in dit kleine dorpje op het Groningse platteland in het hoge Noorden van Nederland, ook wel héél stil zal zijn. Toepasselijke naam, zal er gedacht zijn, denken wij. En wat fijn dat het in ons drukke landje toch nog ergens zo stil als vroeger kan zijn. Maar dat klopt dus niet, lazen wij. Al doen over de werkelijke herkomst van de naam allerlei wilde verhalen de ronde.
Een til is een brug, in Groningen, om te beginnen. In dit geval over het Boterdiep. Een brug die toeloopt in een punt zodat boten er onderdoor kunnen varen. Het saaiste verhaal is vervolgens dat de til waar het hier over gaat ooit heeft toebehoord aan ene meneer Doede, en dat dat verbasterd is van Doedes Til naar Doodstil. Een andere verklaring is dat de til op de route lag naar het kerkhof en daarom de til des doods, de doodstil zou zijn gaan heten. Er zou ooit een lijkwagen met kist en al door de brug zijn gezakt, waarna men van de doodstil is gaan spreken. Weer een ander zegt dat de til er pas is gekomen nadat een doodskist, op weg naar het kerkhof, bij het per boot oversteken van het Boterdiep, te water raakte en zonk. Een schaatser zou zijn hoofd aan de til hebben gestoten en dood zijn neergevallen. Er zou een gestolen varken onder de brug zijn geslacht, wat in grote stilte zou moeten zijn geschied, om ontdekking te voorkomen.
Kies er maar één uit, zouden wij zeggen.
Ironisch detail dat niet onvermeld mag blijven is nog dat sinds de uitverkiezing tot mooiste plaatsnaam van Nederland Doodstil steeds meer bezoek is gaan krijgen van fietsers en wandelaars die op de foto willen met het beroemdste naambord van Groningen. De borden zijn inmiddels zelfs extra stevig bevestigd omdat ze nogal eens worden meegenomen. Door de brutaalste bezoekers van Doodstil, waarschijnlijk.

Herrie in Doodstil

Een gesmoorde lach mondde uit in een gil,
omdat een wandelaar ook wel eens lachen wil.
Een man met een hond
riep: houd toch je mond!
Voordat jullie hier waren was het écht Doodstil.

Zelfs een ezel in ‘t gemeen..

zelfs een ezel in het gemeen.. uithuizen

Een nieuwe aanwinst in de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, waarin wij voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit zoals wij die aantreffen langs oprijlanen en tuinpaden van het Nederlands Kustpad. Op terrassen, stoepen en stoepjes. Bovenstaand tafereel vonden wij in Uithuizen.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

een wandellimerick

Wandelend langs de noordelijke kusten van het vaderland, over het Nederlands Kustpad, maken wij voor ieder plaatsje waar wij door lopen een limerick. Een wandellimerick, voor ieder dorpje, ieder stadje, buurtschap of gehucht. En alles kan een aanleiding zijn, er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC09730

In Rottum staat het kleinste huisje van Groningen. Misschien wel het kleinste huisje van Groningen, volgens voorzichtiger bronnen. Hoe dan ook, klein is het zeker. Twaalf vierkante meter, hooguit. Het heeft één kamer, een bedstee, een keukentjetje en het secreet stond buiten. Geen badkamer, geen douche. Toch hebben hier gezinnen met kinderen in gewoond. Tot in 1953 aan toe. De laatste bewoonster is nu 80 en woont volgens de laatste berichten in een bejaardenwoning. Om even een tijdsperspectief te schetsen. Niet te geloven. Wij moeten het vandaag delen met één andere wandelaar en dat is feitelijk niet te doen, het past gewoon niet.
In de tuin staat een borstbeeld van Jan Boer, een plaatselijk schrijver en dichter die in dialect publiceerde en waarmee het huisje in verband wordt gebracht. In eerste instantie dachten wij dat het zijn geboortehuis was, maar dat bleek er later juist tegenover te staan. Toen was het misschien later zijn woonhuis, in onze gedachtengang, maar ook dat bleek onjuist. Het hoeske en haar verschillende bewoners hebben een rol gespeeld in veel van zijn verhalen. Dat is de connectie. Het huisje is nu een museumpje en het is ingericht zoals er in 1835 zo ongeveer in werd gewoond, ruim vóór de geboorte van Jan Boer. Het is misschien wel het kleinste museum van Groningen, dat dan weer wel.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

In Rottum doet men nogal stoer
over het hoeske van dialectschrijver Boer:
Het is een attractie van formaat
waar de toerist graag in de rij voor staat..
maar met z’n drieën naar binnen blijkt nog een hele toer.

Met de vlam in de pijp

met de vlam in de pijp

Wij gingen op zoek naar de vaderlandse culturele identiteit, waar zoveel om en over te doen is. Wij waren benieuwd hoe die er uit zou zien. Waar het hem in zou zitten. Langs het Nederlands Kustpad vonden we hem. Daar stond hij. Langs tuinpaden en oprijlanen. In borders en op gazons. Op stoepen, stoepjes en terrassen. We verzamelden talloze voorbeelden in onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’. Bovenstaand schouwspel troffen wij in Uithuizen.

Een Griekse vakantie in Breede

een wandellimerick

De wandellimerick. Onze zelfverzonnen loot aan de stam van de light verse. Drs P zou zijn neus er voor ophalen, want die hield niet van limericks. Te simpel misschien, voor hem, of te plat. Maar wij hebben er veel pleijsier van, dus, met alle respect voor wijlen de doctorandus, wij doen as wat wij willen en maken er één voor ieder dorpje, stadje en plaatsje groot of klein waar we doorheen wandelen. De eerste was voor Stavoren en al wandelend hebben we inmiddels een flinke bundel volverzonnen, kijk maar eens in de archieven. Als aanleiding hebben we weinig nodig, het kan zo goed als alles zijn. Er valt ons altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat.

DSC09670

In Breede zagen wij een kerkje staan. Op een wierde. Het was een Gronings kerkje zoals er veel op ons pad komen. Een eenvoudig, klein kerkje van Romaans model met een dakruiter. Het bijzondere aan dit kerkje was niet alleen dat het zo goed als óp een camping stond, maar ook dat het rondom helwit was afgestuct en een felrood koepeltje boven de klok had staan. Twee felrode luikjes hoog in de achtergevel, om het wit nog wat te benadrukken. Het zag er al met al wat onGronings uit. Sterker nog, zo afstekend tegen de blauwe hemel deed het bepaald zuid Europees aan. En wij stelden ons zo voor dat je op de camping van Breede in Groningen ’s ochtends je tentje openritst, op een zonnige zomerochtend, en je heel even op een verre bestemming als Griekenland waant.

Een Griekse vakantie in Breede

Wie voor een reis naar Kreta niet genoeg heeft te besteden
kan zich altijd nog melden op de camping van Breede,
daar de belendende kerk
Grieks wit afsteekt tegen ‘t zwerk..
Zo wordt tevens de file naar het Zuiden vermeden.

The most beautiful girl in the world

the most beautiful girl in the world

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs oprijlanen en tuinpaden, op stoepen en gazons, in borders en perken. Bovenstaand voorbeeld vonden wij in Uithuizen.

Museumbezoek in Warffum

een wandellimerick

Van ieder stadje waar we langslopen, op onze tocht langs de kusten van noordelijk Nederland, maken we een limerick. Ieder plaatsje, dorpje, buurtschap of gehucht krijgt er éen van ons. Gratis en voor niks. Puur voor ons eigen pleysier. Een wandellimerick, zoals wij onze zelf uitgevonden loot aan de stam van de light verse hebben gedoopt. Aanleidingen dienen zich in de regel vanzelf wel aan. Er is altijd wel iets dat ons opvalt. En anders gebeurt er wel iets, of juist niets. We hebben een ontmoeting of een gesprekje, we zien een beeld, een vreemde vogel, een straatnaam.. alles kan.
In Warffum belanden wij op het terras van openluchtmuseum het Hoogeland, het is heerlijk weer. In twintig oude gebouwen, vertelt ons de website, wordt hier het verleden van het gebied, dat het Hoge Land heet, levend gehouden voor generaties die komen. Er zijn woonkamers, slaapkamers en werkplaatsen ingericht zoals ze er honderd jaar geleden uitgezien moeten hebben. Alsof de bewoner net even naar het secreet is en elk moment weer binnen kan komen lopen, aldus nog altijd de website van het museum. De bezoeker krijgt de kans het onthaaste leven uit vroeger tijden op te snuiven, het goede leven zonder smartphone, beeldscherm of magnetron.
Daar zit een zwaar geromantiseerd luchtje aan, zou je ook kunnen denken, als je het een beetje gehad zou hebben met die eeuwige verheerlijking van oudHollandsche vroeger was alles beter normen en waarden nostalgie. Het onthaaste leven zonder gezondheidszorg, onderwijs voor iedereen, sociale voorzieningen en vrouwenstemrecht, zou je er ook kunnen opsnuiven, als je cynisch wilde zijn. Het goede leven van uitbuiting, bittere armoe en kinderarbeid. Een levensverwachting van amper 45 jaar, kom er nog eens om.
Maar goed, het is mooi weer en daar willen we het helemaal niet over hebben. Bovendien komen wij niet eens toe aan een bezoek van het museum als we ook nog een etappe uit willen lopen. Het is kiezen of delen, op zo’n dag. En zo komen we niet verder dan het terras van het museum en kunnen we helemaal nergens over meepraten. Het enige verleden dat we proeven is de poffert met kaneelroom. Een aanrader.

DSC09683

Museumbezoek in Warffum

In Warffum zette men een museum op poten
waarin de geschiedenis van ’t Hoge Land wordt ontsloten..
Helaas hebben wij
van alle erfgoed op rij
alleen de poffert met kaneelroom genoten.

De drummer van de band

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit, waar zo vaak zo veel om te doen is. We treffen ze aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Op gazons, in perken en borders. Of ingemetseld in de muur, zoals dit voorbeeld, dat we in Warffum tegenkwamen. Het deed ons aan Loesje denken. Loesje, met dat leuke bloesje.. het snoesje van de drummer van de band. Over vaderlandse culturele identiteit gesproken..

de drummer van de band

Ter kerke in Baflo

een wandellimerick

DSC09646

Een limerick voor elke plaats waar we door lopen, langs het Nederlands Kustpad, dat is het idee. Ieder stadje, ieder dorp, ieder buurtschap of gehucht. We begonnen ermee in Hindeloopen, daar drong de eerste zich aan ons op. Sindsdien schreven we een kloeke bundel vol en het einde is nog niet in zicht want we beleven er zelf veel pleizier aan. Wandellimericks, noemen wij onze zelfverzonnen loot aan de boom van de light verse. Aanleidingen hoeven we vaak niet te zoeken, die dienen zich meestal zelf wel aan. Er is altijd wel iets dat gebeurt, er is altijd wel iets dat ons opvalt.
In Baflo trof ons de kerk. Wij troffen het kerkje, hoog op zijn wierde. Een middeleeuws kerkje was het, met, opvallend, een losstaande toren. De buitenmuren van het kerkje verrieden een roerig bestaan. Een lappendeken van metselwerk uit verschillende tijden, hier was het nodige aan aangepast en gerestaureerd. Gevelstenen getuigden in elk geval van opknapbeurten in 1656 en 1808.
Wij wilden juist aan een snel rondje om deze kerk beginnen, de camera in de aanslag, toen de voordeur openging en er een mevrouw naar buiten kwam. Het was duidelijk dat ze de boel eigenlijk meteen weer af wilde sluiten, op weg naar huis allicht, maar toen ze ons zag, vroeg ze uitnodigend of wij misschien binnen wilden kijken. Zo werd het voor ons een buitenkansje waar we graag op in gingen. De mevrouw maakte zich bekend als vrijwilliger van het kerkje. Aan de deur van het kerkje hing een bordje met een telefoonnummer dat je kon bellen, wanneer je de kerk wilde bezichtigen. Dat telefoonnummer was zij. Op ons navragen vertelde zij dat ze niet zo vaak werd gebeld, maar dat als ze gebeld werd ze bijna altijd meteen wel kwam, tenzij het echt niet kon. Ze deed het graag. Gebruikte nooit een smoes, had nooit geen zin om te komen.

Ter kerke in Baflo

In Baflo vonden wij de deur van de kerk van ’t slot
en ontmoetten daarachter de sleutelbewaarster van God.
Zij bekende terstond
hoe fíjn zij dit vond,
want anders, tenslotte, stond ze hier voor Piet Snot.

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

De etappe van Baflo naar Uithuizen liepen we op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09637

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.

DSC09639

We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.

DSC09650

Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.
Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09696

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.