De Wandelende Gemeentereiniging

Plasticjutters

Het leek zo’n aardig en sympathiek idee, al wandelend plastic opruimen. Natuurlijk staan we nog steeds vierkant achter onze actie, maar waar ligt de grens van wat je wel en niet meeneemt of aan je rugzak vastbindt? Plastic jutten werd al snel uitgebreid met blik verzamelen en karton rapen: ‘de wandelende gemeentereiniging’.
Soms twijfelen we: ‘gaan we dit nou wel of niet meenemen?’ Laten liggen, voelt ook niet goed. Nee, het onbevangen wandelen lijdt er wel een beetje onder.

Eigenlijk is het te triest voor woorden, waar de natuur moedwillig mee wordt opgezadeld. Het etappetoppunt van onze rommelvondsten was de koelkast, die waarschijnlijk uit een boot gekieperd werd en die we aan de oever van het Kanaal Alkmaar – Kolhorn vonden. Die konden we niet meenemen.

Advertisements

De dwangburcht van Krabbendam

Een wandellimerick

We zouden het niet meteen zeggen, maar wanneer we bij Krabbendam de Westfriese Omringdijk verlaten, lopen we toe op een stukje Vaderlandsche Geschiedenis. Niet helemaal onvervalscht weliswaar, maar toch. Langs een waterput, die er later ook bij blijkt te horen al staat ie volgens de geleerden op de verkeerde plaats, en via een laag grasdijkje naderen we een merkwaardig bouwwerk dat met een toeristisch bord wordt aangekondigd als ‘t Huys te Nuwendore. Hoewel anderen menen en beweren dat het ’t Huys te Nuwendoorn of zelfs ten Nuwendoren moet zijn, afhankelijk van de etymologische duiding van de naam.

P1030564

Wat we zien is het metalen skelet van een vierkante kasteeltoren, de suggestie feitelijk van die toren, die eventueel via eveneens metalen trappen tot bovenaan beklommen kan worden, vanaf waar je wel eens een weids uitzicht zou kunnen hebben over het verderop gelegen Eenigenburg, Krabbendam, de aan weerszijden naar de einder meanderende omringdijk en de hoge duinen van Schoorl. Wij komen het niet te weten omdat de toegangspoort buiten het toeristenseizoen gesloten blijft. Onder het dak zijn in de vier windrichtingen, over de breedte van de toren, tekstregels te lezen. Of eigenlijk vrij moeilijk te lezen, door de combinatie spiegelbeeld, oudHollandsch, afstand en een raar lettertype. Wij geven het op in elk geval.
De toren is blikvanger, landmark zo u wilt, voor een moderne, wat gekunstelde reconstructie van een ruïne op de originele, teruggevonden fundamenten van een dwangburcht die hier eind 13e eeuw gebouwd werd door graaf Floris V, die later, in 1296 namelijk, nog vóór deze dwangburcht goed en wel af was, door de edelen werd vermoord, zoals we vroeger op school hebben geleerd. De Gijsbrecht van Vondel, wie is er niet groot mee geworden..

floris v 2

Floris V was graaf van Holland en Zeeland. Hij was dat al vanaf zijn tweede, het jaar waarin zijn vader, Willem II, door de eeuwig opstandige Westfriezen werd vermoord. Vanaf zijn twaalfde werd hij dan als meerderjarig beschouwd en trok hij eropuit om de Westfriezen te onderwerpen en aldus wraak te nemen voor de moord op zijn vader. Toen hij daar rond 1282 in geslaagd was, besloot hij een vijftal dwangburchten rond Westfriesland te bouwen, om zijn macht te consolideren. ’t Huys te Nuwendore was er daar één van, net als het nog wel in oude staat bestaande kasteel Radboud in Medemblik.

nhl_nieuwendoorn_reconstructi
Een getekende reconstructie van hoe de dwangburcht te Krabbendam er uit zou kunnen hebben gezien.

Bij de stand der boeren en burgers was Floris V best populair. Hij gaf hen meer vrijheden en verbeterde hun positie ten opzichte van de adel door nieuwe bestuurlijke structuren in te voeren. Ook de Westfriezen bracht Floris zo meer dan alleen Hollandsche overheersing. Hij bevorderde de handel, liet dijken bouwen, moerasgebieden ontwateren ten behoeve van de landbouw en speelde een rol in de organisatie van de waterschappen. De edelen hier en daar, zo laat zich raden, zagen dat met lede ogen aan. Zij noemden Floris vilein spottend ‘der keerlen God’. Dus, toen na een opportunistische politieke draai de gelegenheid zich voordeed, waren er wel een paar edelen te vinden die korte metten wilden maken, met de Graaf uit Den Haag. Jaja, zo ging dat in boreale tijden.
Opgejut door de bisschop van Utrecht kwamen de Westfriezen na deze afrekening in het politieke circuit opnieuw in opstand tegen de nieuwe Hollandsche heren, waarbij ook de dwangburcht Nuwendore werd bestormd en verwoest.
Toen in 1299 de vrede werd getekend, werd de burcht herbouwd, door de nieuwe graven, en zijn er volgens de annalen tot 1366 verschillende kasteelheren geweest. Daarna verdwijnt het slot zonder verdere verklaring uit de grafelijke administratie en na 1392 wordt het zelfs helemaal nergens meer genoemd. Het lijkt van de aardbodem verdwenen. Aangenomen wordt dat dit inderdaad ook letterlijk is gebeurd. Nuwendore verloor waarschijnlijk zijn belang, werd door tegenvallende landbouwopbrengsten misschien niet meer onderhouden en werd door overstromingen verwoest en weggevaagd.

nuwendoorn herinnering
Uit een fantasiereconstructie van rond 1700, waar Nuwendore ‘t Slodt Eenigenburg wordt genoemd, blijkt de dwangburcht van Floris, hoewel verdwenen, niet geheel vergeten.

In 1948 dan, het derde vredesjaar, ploegde boer Biersteker zijn land, in de oksel van de Westfriese dijk, en stuitte op grote hoeveelheden kloostermoppen. Geraadpleegde amateurarcheologen legden vervolgens de resten bloot van de fundering van de dwangburcht, waarvan men eerder had aangenomen dat die meer richting Schoorldam zou hebben gestaan. Wat een beetje vreemd is omdat de burcht nog op de juiste locatie als ‘oud kasteel’ staat ingetekend op een kadastrale kaart uit 1830, en er blijkens een artikel in de Zijper Courant van 1863 op dezelfde plek ook kloostermoppen werden gevonden die toen al aan Nuwendore werden toegeschreven. Maar goed. Omdat boer Biersteker ook moest eten werd de boel weer toegedekt en ingezaaid om pas in 1960 volledig te worden opgegraven en geconsolideerd, waarbij ook scherven, voorwerpen, een voorburcht, resten van een houten toegangsbrug en de stortkoker van een privaat werden gevonden. Begin deze eeuw tenslotte, omdat de boel er inmiddels ernstig verwaarloosd en vervuild bij lag, werd besloten de fundamenten zowel te beschermen als te ontsluiten door er de nieuwbouwruïne met torensuggestie overheen te bouwen zoals die nu, in het seizoen, te bezoeken valt. Ter leringhe ende vermaeck. Al is het de historici, misschien niet geheel ten onrechte, een doorn in het oog.

De dwangburcht van Krabbendam
Een wandelimerick
De kwestie van de dwangburcht van Krabbendam
verhitte haar Notabelen tot vinnig vuur en vlam:
“Er is slechts één man die vóór is!
..maar dat is Graaf Floris..”
En zo kwam het dat de dwangburcht er kwam.

Van den vos Reijnaerde

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

In deze fotorubriek verzamelen wij voorbeelden van onze ook deze dagen weer veelbesproken en fel bediscussieerde vaderlandse culturele identiteit. Wij treffen haar aan langs oprijlaan en tuinpad. Op gazon en terras. In border en perk. Zoals hier in Krabbendam. Een tafereel dat vandaag bovendien buitengewoon toepasselijk lijkt.

van-den-vos-reijnaerde-krabbendam.jpg

Merlets in een betoverd bos

Kunst onderweg

merel merlet kraai

Hij valt niet te missen, de bijzonder grote gitzwarte vogel, hoog op zijn glimmende paal. Het maakt niet uit of je de afslag Schoorl nou wel of niet neemt, rijdend over de N9, of dat je lopend of fietsend de tunnel onder de weg door gaat, richting Schoorl of er juist vandaan.. de vogel heeft je in de gaten, vanaf zijn verheven plekje. Desnoods draait hij een stukje op de wind met je mee, want dat kan hij, zo groot als ie is. Het lijkt er bovendien sterk op dat hij je niet alleen in de gaten heeft, maar het zaakje ook meteen niet helemaal vertrouwt. In een soort defensieve aanvalshouding staat hij daar. Dreigend, de kop dicht bij de grond, de staart omhoog en de stompe snavel opengesperd. Klaar voor het gevecht, mocht dat nodig zijn. Kom me niet te na, lijkt hij je toe te roepen, je hoort er automatisch het wat ordinair krassend geluid bij.

P1030482

Dat laatste blijkt echter al gauw verbeelding te zijn omdat we hier niet te maken hebben met een kauw of een kraai, wat we eerst dachten, maar met een merel. Dat lezen we thuis op internet, maar we zien het ook zelf al, als we dichterbij komen, want dan blijken er meer vogels te zijn. Langs het fietspad naar het tunneltje is er aan iedere lantaarnpaal één bevestigd. Zeven in totaal. Veel kleiner zijn deze zeven dan hun grote soortgenoot, en eerlijk gezegd ook iets duidelijker merels. Elk in een andere karakteristieke houding, zittend op een takje met blaadjes eraan dat zo aan de lantaarnpaal lijkt te groeien. Als silhouetten uit een staalplaat gestanst of gesneden en strak in de zwarte lak.

metal-bird-black-bird-97434
De Metalbird merel, verkrijgbaar in de museumshop.

Het doet meer dan een beetje denken aan de inmiddels zeer populaire cortenstaal Metalbirds, die je in de betere museumshop in soorten en maten kunt kopen, om thuis in de tuin in een boomstam te slaan. Die zijn een idee van de Nieuw Zeelandse ontwerper en kunstenaar Phil Walters, die in 2011, geïnspireerd door Banksy, de eerste exemplaren her en der in zijn woonplaats installeerde, bij wijze van straatkunst. Waarna het al snel breed werd opgemerkt en het zich in de jaren daarna over de wereld verspreidde. Het ontwerp van de Schoorlse merels is van 2013, lezen wij. Het zou dus kunnen dat de makers zich hierdoor hebben laten inspireren. We filosoferen maar wat voor ons uit. Dat ze hier, denkend in de lijn van DaDa en Pop Art, een gebruiksvoorwerp of in dit geval een alledaags massa-designproduct tot kunst verheffen. Door er ook nog een enorm uitvergrote versie van te maken verwijzen ze wellicht naar Claes Oldenburg, een Zweeds-Amerikaans kunstenaar die op die manier te werk gaat en op zijn beurt eigenlijk ook best in het verlengde van DaDa en Pop Art gezien kan worden, wat ons betreft.

blok lugthart
Bas Lugthart (l) en Maree Blok vormen samen het kunstenaarsduo BlokLughthart.

Maree Blok (1959) en Bas Lugthart (1955) zijn de kunstenaars waarover we het hebben, hier aan de N9 bij Schoorl. Als duo werken ze onder de naam BlokLugthart en hebben ze al heel wat bijzondere kunstwerken in de openbare ruimte op hun cv staan. Vaak spelen enorm uitvergrote mensfiguren de hoofdrol in die beelden, tot eenvoudige en krachtige vormen of lijnen teruggebracht. In een aantal werken wordt water ingezet als beeldmateriaal, of ijs, als het water in de winter bevriest. Blok en Lugthart gaan voor de ‘wow-factor’, zeggen ze zelf, en inderdaad is dat een woord dat graag bij je opkomt wanneer je hun werk bekijkt.

Kunst-openbare-ruimte-Joure-BlokLugthart-2
Het grote gezicht. Een sculptuur van BlokLugthart in Joure. Het beeld heeft ook de functie van gemaal. Het opgepompte water wordt weer uitgespoten in stralen die het gezicht af maken en de suggestie geven van in de wind bewegende haren.

Het initiatief voor het kunstwerk aan de N9 werd genomen door de bewoners van Schoorl. Het verkeersknooppunt werd heringericht, met een nieuwe rotonde en een fiets- en voetgangerstunnel, en de bewoners benaderden de gemeente met het idee hier dan ook een kunstwerk te plaatsen, zoals vroeger gebruikelijk was met de percentageregeling. De gemeente vond dat zomaar een goed idee en gaf een aantal kunstenaars de opdracht een ontwerp te maken, waarbij het uitgangspunt iets typisch Schoorls moest zijn. Dit leidde uiteindelijk tot een prijsvraag waarbij inwoners van Schoorl uit drie ontwerpen konden kiezen. Dat werden dus de merels van BlokLugthart. Wat bij ons de vraag opriep: wat is er zo Schoorls aan merels? Welnu, dat zit zo: die staan in het wapen van Schoorl.

Coat_of_arms_of_Bergen_(North_Holland).svg
Het huidige wapen van de fusiegemeente Bergen nh met de acht merlets van Schoorl.

En nu Schoorl gefuseerd is met Bergen, staan ze ook in het wapen van Bergen. Alle acht. Dat wil zeggen, acht merlets. En hoewel dat foutief gespeld Frans is voor vrouwtjesmerel (merlette), is de merlet hier toch iets anders. Een heraldisch wapendier, namelijk. Een niet bestaand, symbolisch dier, in dit geval een sterk gestileerde eend-achtige vogel zonder snavel en zonder poten. Vraag ons niet waarom, het is zo. Alleen ridders die op kruistocht waren geweest mochten de merlet in hun wapen dragen, zo luidt het verhaal. Goed. Het zou misschien wel de defensieve houding van de grote merel verklaren, hij beschermt zijn nest, Schoorl, zoals het een heraldisch wapendier betaamt.
Het Betoverde Bos, heet het kunstwerk. In eerste instantie hebben wij ons afgevraagd waarom. Digitaal stuitten wij op tal van betoverde bossen in allerlei sprookjes, in één ervan werden meisjes omgetoverd tot vogels, maar dat leek ons uiteindelijk maar weinig met de gang van zaken in Schoorl te maken hebben. Net zo min als het jaren vijftig stripfiguur Olle Kapoen, wie kent hem niet, die ook in een betoverd bos heeft rondgedwaald.

olle kapoen kaft

Nee, inmiddels weten wij beter: een bos waar takjes aan lantaarnpalen groeien, waar bomen licht geven, waar merels van wapenschilden springen en groeien tot reuzenproporties.. dat moet beslist een betoverd bos zijn.

Boer, wat zeg je van mijn kippen?

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

Boer wat zeg je van mijn kippen schoorldam

Al wandelend langs ‘s Heeren wegen, in dit geval het Groot Frieslandpad, verzamelen wij voorbeelden van de vaderlandse culturele identiteit, die geregeld onderwerp van verhitte gesprekken kan zijn. Wij treffen ze aan langs tuinpaden en oprijlanen. In perken en borders, op gazonnen en terrassen. Dit gezellig boerderijtafereel vonden wij een eindje buiten Schoorldam.

Een schilder te Schoorl

Een wandellimerick

We hebben het er uitgebreid over gehad, op dit weblog, de afgelopen kolommen. Over Jan van Scorel, bedoelen we natuurlijk. We bespraken zijn leven, zijn carrière, zijn werk. Zijn positie binnen de kunstgeschiedenis. We hadden het over zijn standbeeld voor het oude raadhuisje en over het beeld naar zijn schilderij Jeruzalemvaarders. Feitelijk valt er niet heel veel meer aan toe te voegen. Rest ons tot slot een resumé.

jan van scorel

Een schilder te Schoorl
Een wandellimerick
Er was eens een schilder in Schoorl,
zijn naam was Jan van Scorel,
die greep zijn kansen
in de Renaissance
en maakte zo grote furorel.

Sweet birds of paradise

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

Sweet birds of paradise schoorldam

In deze fotorubriek verzamelen wij voorbeelden van de vaderlandse culturele identiteit zoals we die aantreffen langs oprijlanen en gazons, in perken en borders, op stoepjes en terrassen. Ook langs het Groot Frieslandpad. Deze creatieve uitingen vonden wij aan de oprijlaan van een camping in Schoorldam.

Jeruzalemvaarders

Kunst onderweg

Voor de Nederlands Hervormde kerk in Schoorl, op een paar meter afstand van zijn standbeeld voor het raadhuisje, wordt Jan van Scorel een tweede keer geëerd met een beeld. Jeruzalemvaarders heet het, dat staat tenminste met kapitalen in de betonnen sokkel gebeiteld. Een niet heel groot bronzen beeld van twaalf ernstig kijkende mannen op een rijtje dicht achter elkaar, in wijde kleding met lange mouwen en allemaal iets van een stok of een zwaard of een lans over de schouder. Halve mannen zijn het eigenlijk want ze zijn afgebeeld tot heuphoogte, benen hebben ze niet. En doordat het beeld aan de onderkant als één geheel en zonder detaillering rond is afgewerkt, lijkt het alsof de mannen met z’n allen in een beetje een krap bootje zitten, op twee steuntjes zwevend boven de sokkel. Dat zou dan kloppen met de naam van het beeld: Jeruzalemvaarders immers.

IMG_1680

Een naam die ook meteen beelden oproept van kruistochten en bloedvergieten, vandaar dat we de over de schouder gedragen stokken maar meteen als wapentuig interpreteren. Dat blijkt echter een voorbarige en onjuiste invulling. Jeruzalemvaarders waren geen kruisridders, het waren pelgrims, die de tocht naar Jeruzalem ondernamen om daar het Graf van Jezus en andere heilige plaatsen te bezoeken. Zo’n pelgrimage was een populaire onderneming in de 15e en vooral de 16e eeuw, tot de Reformatie er een einde aan maakte, aan al die verheerlijking.
Na hun reis eenmaal weer thuis verenigden deze pelgrims zich vaak in gildes, of broederschappen, en richtten als zodanig kapellen of altaren op, kwamen jaarlijks bijeen voor een gildemaaltijd en organiseerden processies waarbij ze, als teken dat zij de Heilige Stad hadden bezocht, een palmtak meedroegen, ook wel de Jeruzalemveer genoemd.

jeruzalemvaarders 3

Aha. Dat is dus wat we hier zien uitgebeeld. De mannen zitten niet in een bootje en ze dragen geen zwaarden of lansen mee.. ze lopen in processie, met een palmtak over de schouder als bewijs van goed religieus gedrag.
Het beeld is een ruimtelijke opvatting van een schilderij uit 1528 van, daar is ie dan: Jan van Scorel. Op dit schilderij zien we hetzelfde rijtje dicht op elkaar gepakte ernstige halve mannen met palmtakken over de schouder. Degene die links vooraan loopt, voor de kijker rechts, draagt er zelfs twee met zich mee. Hij heeft de reis twee keer gemaakt.

jeruzalemvaarders (2)

De volledige naam van het schilderij luidt: Groepsportret van Jeruzalemvaarders van de Ridderlijke Broederschap van de Heilige Lande te Haarlem. Het wordt beschouwd als het eerste groepsportret in de Nederlandse schilderkunst, een soort opstapje naar de schuttersstukken waar later de Gouden Eeuw zo beroemd mee is geworden en waarvan het oudste bekende voorbeeld al een jaar later, in 1529 werd geschilderd, door Dirck Jacobsz.
Maar goed, nu dwalen we wel erg af.

jan van scorel duplo

We waren bij Jan van Scorel. Die zelf ook een Jeruzalemvaarder was, hij had de reis naar het Heilige Land rond 1520 ondernomen. Toen hij in 1527 noodgedwongen in Haarlem kwam te wonen werd hij daar dan ook lid van de Haarlemse broederschap en voor hun kapel schilderde hij onderhavig Groepsportret. Zelf staat hij er ook op, heeft men opgemaakt uit de teksten die onder de mannen staan geschilderd. De derde man van rechts, dat is ‘m. En we kunnen er dus gevoeglijk van uitgaan dat ook in het bronzen beeld waar we nu naar staan te kijken de derde van rechts Jan van Scorel himself is.

ellen de groot

Het beeld is gemaakt door de Bergense kunstenaar/beeldhouwer Ellen de Groot (1942), in opdracht van de gemeente Schoorl, die toen nog bestond, en het werd geplaatst in 1986, gelijk met het standbeeld voor het raadhuisje. Als eerbetoon dus aan Jan van Scorel. Dit beeld maakte Ellen de Groot in brons, volgens de zogenoemde verloren was methode. Daarbij wordt eerst een beeld gemaakt in was, daaromheen wordt gips gegoten, het gips wordt als het droog is verhit, waardoor de was smelt, wegvloeit en er een mal voor eenmalig gebruik ontstaat. Brons erin, afkoelen, gips eraf, klaar. Verder werkt Ellen de Groot in allerlei materialen: klei, hout, steen of metaal. Vaak dansende of anderszins in beweging zijnde figuren. Zelf noemt zij haar werk gestileerd figuratief.

jeruzalem huilt 3

In 2006 werden de Jeruzalemvaarders het slachtoffer van vandalen. Waarschijnlijk voor de waarde van het brons werd het beeld van de sokkel gezaagd en meegenomen. Niet veel later werd het bij stom toeval teruggevonden bij een handelaar in oud ijzer, in het nabijgelegen Alkmaar. Iemand zag de brokstukken liggen, herkende het vermiste beeld uit Schoorl en waarschuwde politie en kunstenares. Het moet vreselijk zijn je werk op die manier terug te vinden. Zwaar beschadigd, incompleet, onthoofd, onteerd, ruw in stukken geslagen en liefdeloos in een bak geflikkerd. De handelaar waste de handen in onschuld, had er geen beeld in herkend en het brons was afgeleverd door keurige mensen. Of die ooit nog gevonden zijn, vermeldt de geschiedenis niet. Evenmin of de zaak voor de handelaar nog een staartje heeft gekregen. Voor het beeld heeft het er in elk geval een tijdje slecht uitgezien. Reparatie was niet mogelijk en er bestond dus geen mal van. Uiteindelijk werd er toch ergens geld gevonden en heeft de kunstenaar het opnieuw gemaakt. Nu staat er dus, sinds 2008, een originele replica.

My little angel

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

schoorl my little angel (1)

Een nieuwe aanwinst voor de fotorubriek Tot hier heeft de Heer ons geholpen, waarin wij voorbeelden verzamelen van de vaderlandse culturele identiteit, waar zo vaak zoveel om te doen is. Dit stemmig tafereel troffen wij half februari aan in Schoorl.

Afgezant der Renaissance

Kunst onderweg

Voor het schattig kleine raadhuisje van Schoorl (anno 1601) staat een bijzonder beeld. Het lijkt in eerste instantie niet zo heel bijzonder. Bij oppervlakkige beschouwing zou je makkelijk kunnen denken dat het gewoon het dertiende klassiek geboetseerde standbeeld uit het dozijn is. De zoveelste bekende vaderlander uit vervlogen tijden, gevangen in brons.

raadhuis-schoorl.jpg

In een ontspannen, zelfverzekerde pose staat hij daar. Wijdbeens, alert, penseel en palet in de aanslag en gekleed volgens de mode voor beter gesitueerden uit een ver verleden. Een hoge kraag, een zwierige mantel, robuuste schouderstukken die aan een harnas doen denken, wijd geplooide en bloezende mouwen met nauwsluitende onderarmen, een pofbroek met beenwindsels om de kuiten en typisch middeleeuwse puntschoenen aan de voeten. Een baret op het hoofd. En alles van de fijnste stoffen en de duurste materialen. Nee, hier staat niet zomaar iemand. En dat klopt. Hier staat Jan van Scorel (1495 – 1562), waarschijnlijk de grootste vaderlander die Schoorl heeft voortgebracht. Een in zijn tijd beroemd, zeer gewaardeerd en baanbrekend kunstenaar. De eerste schilder die zich als kunstenaar beschouwde, een intellectueel als dichters en geleerden, en niet alleen de ambachtsman die de Middeleeuwen in de schilder zagen. Toonaangevend wegbereider van de Renaissance in de Nederlanden. In zijn geboorteplaats geëerd met dit standbeeld. Klassiek geval, duidelijk.

IMG_1686

Bekijk je het beeld wat beter, en van wat dichterbij, dan zie je al snel dat die adellijke kleding, die dure en fijne stoffen en materialen zo duur en fijn niet zijn. De pofbroek is opeens een stuk autoband, de bloezende plooien van de mouwen lijken verdacht veel op een in stukken geknipte tuinslang, de schouderstukken zouden wel eens het deksel van een plastic vuilnisemmer kunnen zijn, het vest een rieten mand. Dit zo klassiek aandoende beeld is geheel opgetrokken uit afvalmateriaal en alledaagse gebruiksvoorwerpen. De kunstenaar heeft het een en ander bij elkaar gezocht, het tot een geheel geassembleerd en in brons gegoten. Dat het nu evengoed klassiek oogt komt een beetje door dat brons natuurlijk, maar zeker ook doordat de kunstenaar haar materiaal heel goed gekozen heeft en er bijzonder mooi de juiste sfeer van zo’n adellijke dracht mee weet op te roepen. Erg knap.

elly baltus 2

Elly Baltus bij één van haar geassembleerde beelden

Elly Baltus, heet deze kunstenaar, geboren in 1957 in Bergen, en het beeld van Jan van Scorel was het eerste dat zij in deze stijl maakte. Kennelijk viel het in de smaak en was ze er zelf ook blij mee want er volgden er meer, zoals Vrouwen in het verzet, in Heerhugowaard, Jan van Heemskerck in Heemskerk en Jan Jansz Weltevree in De Rijp. Behalve met beelden is Elly Baltus internationaal bekend geworden met haar eigenwijze ontwerpen voor penningen, waarin ze de grenzen van het klassieke gegeven van de penning opzoekt, en combineert met elementen uit de moderne tijd waarin we nu leven, zoals elektronica bijvoorbeeld. Grofweg hetzelfde uitgangspunt dus als we in het beeld van Jan van Scorel zien. Zelf zegt Elly Baltus daarover: ‘We kijken vanuit het heden, met onze mogelijkheden en kennis, naar een historisch figuur die in zijn tijd ook modern was.’

440px-Jan_van_Scorel_-_Portrait_of_a_Young_Scholar_-_Google_Art_Project

De pose die Van Scorel aanneemt, op zijn sokkel voor het raadhuis, is ontleend aan een schilderij dat aan hemzelf is toegeschreven: Het portret van een jonge scholier, geschilderd in 1531. Op dit schilderij zien we een twaalfjarige jongen, alert en zelfverzekerd met pen en papier in de aanslag staan. Met ook nog net zo’n baret. Op het papier heeft de jongen een notitie gemaakt: Omnia dat Dominus, non habet ergo minus. We zien het papier van de achterkant dus het staat er in spiegelbeeld. Het betekent: Alles geeft de Heer, toch heeft Hij niet minder. Onder de scholier staat nog een Latijnse tekst: Quis dives qui nil cupit pauper avarus. Oftewel: Wie niets verlangt is rijk, de vrek daarentegen is arm. Stichtelijke teksten die verklappen dat Van Scorel behalve schilder en tekenaar, kunstenaar, geleerde en intellectueel ook een religieus man en een filosoof was. Hier staat, met andere woorden, waarlijk een afgezant der Renaissance.

Welkom in Westfriesland

De tweede etappe, van Schoorl naar Dirkshorn, gelopen op vrijdag 15 februari 2019

We zijn er een jaartje tussenuit geweest, dus misschien dat het daaraan ligt, maar in Schoorl lopen we als een stelletje beginnelingen in het rond te dwalen op zoek naar hoe het nou toch in vredesnaam verder gaat, na de eerste etappe. We volgen wel pijlen maar gaan gaandeweg twijfelen of het de goede zijn, we komen inderdaad op een vijfsprong maar weten niet of het dezelfde is als die het boekje beschrijft, lopen heen en toch maar weer terug en zo plakken we onbedoeld een paar kilometer doelloos rondjes draaien aan de wandeling vast. Maar wat maakt het uit, het weer is prachtig, het lijkt verdorie wel lente geworden, midden in februari. Het wemelt van de jonge gezinnen met kinderen rond het bezoekerscentrum, terwijl het gewoon een vrijdag is en bij ons weten nog geen vakantie. Moeten al die mensen niet werken, vragen wij ons af, moeten al die kinderen niet naar school? Maar goed.. Wij lopen hier immers ook, op dezelfde gewone vrijdag, onder hetzelfde lentezonnetje, terwijl we er toch nog niet uitzien als pensionado’s, hopen we dan maar dat de andere mensen denken.

raadhuis-schoorl.jpg

In Schoorl zelf komen we als eerste terecht bij een schattig klein raadhuisje. Volgens het opschrift op de met krullen en consoles versierde topgevel is het van 1601. Het staat naast de hervormde kerk, die van 1783 is. Het raadhuisje, lezen we op internet, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal, met een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door nieuwbouw werd vervangen. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad want wij lezen dat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd. In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders.

P1030526

Verder lopen we met een boogje om Schoorl heen, steken bij Schoorldam de N9 en het Noordhollandsch Kanaal over en betreden dan via de Westfriese Omringdijk de uitgestrekte platheid van de drie Frieslanden die onze route de komende tijd doorkruist. Hoog bovenop de dijk krijgen we daar een aardig voorproefje van, weidse vergezichten van weilanden, akkers en sloten met om de zoveel tijd een bescheiden kerktorentje aan de einder. We lopen er maar een klein stukje van en zeker niet het interessantste maar de Westfriese Omringdijk is 126 km lang en doet precies wat de naam al zegt, hij omringt heel West Friesland. Van Noordzee naar Zuiderzee en weer terug. Een bijzonder idee. Ook om je voor te stellen dat aan de linkerkant van deze dijk de zee dus eeuwenlang een meer dan serieuze bedreiging is geweest, het ziet er nu zo vredig uit allemaal en de zee lijkt erg ver weg. Maar ook: zó hoog is die dijk nou ook weer niet. Hoe veilig zou je je erachter voelen wanneer de golven er bij storm en tegenweer tegenaan zouden beuken? Het kwam in zijn lange geschiedenis dan ook regelmatig voor dat de omringdijk doorbrak en het binnenkolkend zeewater enorme kraters sloeg in het achterliggend land. De ronde meren die daardoor ontstonden waren zo diep dat het makkelijker was de dijk er bij reparatie maar omheen te leggen. Deze zogenaamde wielen met de zich eromheen kronkelende dijk bieden vandaag een betoverende en schilderachtige aanblik, maar ze getuigen ook van de drama’s die zich er in vroeger tijden hebben afgespeeld.

P1030499

Bij aanvang van het Groot Frieslandpad hebben wij ons een goed voornemen gemaakt: al wandelend ontfermen wij ons over plastic zwerfafval in berm en beemd. We rapen het op, we nemen het mee en gooien het thuis in de plastic bak. Iemand moet het doen anders ligt het er voor eeuwig tenslotte. Dan maar gutmenschen, dan maar klimaatdrammers. Ook vandaag hebben we er speciaal een tasje voor meegenomen en wanneer we de dijk even verlaten om een stukje langs het Noordhollandsch Kanaal te lopen zien we de eerste oogst al liggen. Stukken plastic, bierblikjes, plastic flessen.. welgemoed beginnen we te rapen, maar al gauw slaat de twijfel toe. We lopen hier achter een camping met vaste huisjes langs, waar de grijze mistroostigheid overigens als een natte dweil overheen hangt, en het lijkt erop dat deze grasstrook met bosschage tussen kanaal en camping als hangplek fungeert. Hier kunnen we aan het rapen blijven. Straks lopen we de rest van de wandeling met ieder twee extra tassen vol andermans plastic schillen en dozen. Heel even komen we in gewetensnood maar we besluiten toch dat dit te gek is. Zelfs van gutmenschen kun je dit niet verwachten. We nemen de ergste stukken mee, maar verder moet de camping zelf maar even de handen uit de mouwen steken.

P1030564

Weer terug op de dijk lopen we door Krabbendam, een vriendelijk dorpje dat aan weerszijden tegen het dijklichaam opkruipt, en zien dan dat datzelfde dijklichaam aan de andere kant van Krabbendam opeens een heel stuk hoger is. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de duinen van Schoorl, de hoogste duinen van het land, die verderop gelegen overgaan in de Hondsbossche zeewering, een notoire zwakke plek in de kustverdediging. Hier kon de omringdijk wel een extraatje gebruiken.
Dan staat daar Huis te Nuwendoorn. Of wat er voor door moet gaan. Een voormalige dwangburcht van Floris de Vijfde. Gebouwd, verwoest en weer opgebouwd in de 13e eeuw, en in de 14e eeuw zonder verklaring van de aardbodem verdwenen. Op de fundamenten die in onze eigen tijd werden teruggevonden en hersteld, is een paar jaar geleden een soort van ruïne gebouwd, met nep afgebrokkelde muren van moderne materialen, tot zelfs van die tuincentrum stenen in betonijzerkooien aan toe, hoe treurig wil je het hebben? De toren, het minst erge onderdeel, wordt gesuggereerd door een stalen skelet met dito trappen en fungeert in het seizoen als uitzichttoren. Voor toeristen. Als die eropaf komen tenminste.

P1030568

Terwijl wij dit allemaal zo staan te overwegen en de term Vinex-ruïne uit onze mouw schudden, stopt er een auto op tien meter afstand. Wat een beetje vreemd is omdat we aan het eind van een stoffig en doodlopend landweggetje staan. Het is een donkere auto, met donkere ruiten. Er stapt een jongeman uit, met een koffer. Verborgen achter de auto buigt de jongeman zich over de koffer, de koffer gaat open. Het is niet het soort koffer waar je een weekendje mee gaat logeren bij vrienden. Wat de jongen aan het doen is kunnen we niet zien, maar hij ís iets aan het doen. Misschien kijken we teveel Homeland, maar zo’n koffer is het wel. Het wordt tijd om verder te wandelen, besluiten we conflictvermijdend, al moeten we dan wel langs de auto, en de jongeman. Uiteraard loopt het goed af, de jongeman staat een peperdure drone startklaar te maken en geeft ons maar al te graag een demonstratie. Op zijn schermpje kunnen we zien wat de drone aan beelden doorgeeft. Zo zien we onszelf een beetje sullig omhoog staan te kijken, met onze rugzakjes om. Maar als de drone dan echt het luchtruim kiest en we hem nog slechts als een onhoorbaar stipje aan het zwerk zien staan, zien we Huis te Nuwendoorn op het schermpje vanuit de lucht, we zien de Westfriese Omringdijk door het landschap kronkelen, we zien de wijde omgeving, haarscherp. Het is even verbazingwekkend als verontrustend.

P1030593

De wandeling gaat verder door Eenigenburg, een charmant dorp waar de tijd minder vat op lijkt te hebben. Dat het op een aantal terpen is gebouwd, is vanuit de verte nog goed te zien. Op één ervan staat het kerkje, met een piepklein kerkhofje ernaast. We lopen er even naar toe, al hoeft dat niet van het routeboekje. Het is een schattig kerkje met een houten torentje en het is van 1792. Ene Dirk Pronk legde de eerste steen, op zijn zesde. De lange oprijlaan herinner ik me statig omzoomd van hoge bomen, maar die zijn inmiddels van voor tot achter vervangen door ijle sprietjes waarvan het moeilijk is voor te stellen dat het ooit weer hoge bomen zullen worden.
Als we Eenigenburg weer verlaten biedt het boekje ons twee mogelijke routes. Op de gok kiezen we er één maar voor we goed en wel op weg zijn wordt ons een halt toegeroepen door een meneer die in zijn tuin snoeiafval staat klein te knippen. De meneer is tanig van gestalte, draagt een oorring, een baardje van een week en doet wat denken aan een piraat. Of een kunstenaar. Dat we de andere route moeten nemen, adviseert hij ons vriendelijk doch dringend, omdat die veel leuker is. De route die wij nu gekozen hebben is saai, aldus de meneer. En zo keren wij terug op onze schreden, want ja.. ga daar maar eens tegenin. Spijt hebben we er niet van gekregen trouwens want het was een aardig ommetje langs een zeer onaangeharkt stukje niemandsland, en daar houden wij wel van.

P1030630

Het laatste stuk voert ons nog door Stroet, een lintdorp dat wij in de breedte passeren, na 357 stappen zijn we er al weer uit. Vlak voor Groenveld, in het zicht van de molen, buigen we naar rechts af om dwars door de weilanden en over grasdijkjes, langs de golfbaan Dirkshorn te bereiken. Vertrekpunt voor de volgende etappe.

Bekijk eventueel ook het ene fotoalbum van deze etappe, en het andere.

Het geheim van de Alexanderflat ontsluierd

Kunst onderweg

alexanderflat

In Bergen aan zee werden wij op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein dus zomaar voor een raadsel geplaatst. De zijgevel van de Alexanderflat, die daar staat, is vier verdiepingen hoog opgemetseld uit onregelmatig gevormde basaltblokken, zoals die ook worden gebruikt om golfbrekers mee op te werpen. En uit de speelse structuur die dat oplevert, steekt heel bescheiden een schijnbaar achteloos meegemetseld reliëf naar voren. Twee vrolijke figuren zien we, waarvan er één op de handen staat. Spelende kinderen, nemen wij aan, een populair thema immers, in de vijftiger jaren, toen je nog op straat spelende kinderen had. Het is zo onnadrukkelijk aangebracht dat je er ook zomaar aan voorbij zou kunnen lopen, zonder het op te merken. Wij hadden dat bijna gedaan. Het is dat de zon scheen en voor het schaduwrandje zorgde dat het reliëf verraadde.

alexanderflat

Maar nu het raadsel, waar wij voor werden geplaatst. Het bleek dat nergens een aanwijzing viel te vinden over wie de kunstenaar zou zijn die dit gemaakt had. Niet op een bordje ter plekke en ook niet weer thuis op internet. We achterhaalden nog net dat de Alexanderflat in 1958 werd gebouwd, het reliëf leek verder niet te bestaan. Ja toch, op een site van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd het ergens in een hoekje achteraf vermeld. Maar ook niet meer dan dat. Het reliëf wás er, het bestond, het was niet onopgemerkt gebleven.. maar wie het gemaakt had wist men op het ministerie ook niet te vertellen. Sterker nog, eenieder die meer informatie had over het werk of zijn maker werd verzocht die met het ministerie te delen.
Goed, wij hebben er inmiddels ons eigen verhaal omheen gebreid, ook altijd leuk, maar het zit ons toch niet lekker. We besluiten op onderzoek te gaan.
Te beginnen bij de Dorpsraad van Bergen aan zee. Daar lazen we al dat de Alexanderflat van 1958 is en destijds het begin van het einde betekende voor de eerder nagestreefde kleinschaligheid voor het dorp.. allicht dat we daar iets te weten komen. En inderdaad komt bij navraag al vrij snel in elk geval de naam van de architect van de flat naar boven: Gert Boon (1921 – 2009). Telg uit een architectengeslacht die er uitgesproken tot rigide ideeën over functionaliteit op na houdt, medeoprichter is van de Forumgroep en zich ontwikkelt tot een exponent van het zogenoemde structuralisme, een typisch Nederlandse stroming in de architectuur die zich afzet tegen de grootschaligheid en eenvormigheid van het dan heersende Nieuwe Bouwen en juist de menselijke maat als leidraad wil nemen. In een publicatie van het Nieuwe Instituut in Rotterdam wordt Boon in retrospectief omschreven als ‘een wat merkwaardige figuur op de achtergrond, die er ondanks zijn vooruitstrevende ideeën niet in is geslaagd zijn stempel op de Nederlandse architectuur te drukken.’ Boon vestigt zich na zijn studie in 1953 als zelfstandig architect in Amsterdam en de Alexanderflat, waarvan het ontwerp van 1955 stamt, zal dus één van de eerste opdrachten zijn geweest. In dezelfde periode ontwerpt en realiseert hij de kubuswoningen in de duinstrook tegenover de Alexanderflat. Over het reliëf wordt nergens gesproken. Het zou kunnen dat Gert Boon het ontwerp zelf heeft gemaakt, al lijkt ons dat, afgezet tegen zijn streng geordende, geometrische stijl, onwaarschijnlijk.

boon_n03

Gert Boon, architect van de Alexanderflat.

In afwachting van verdere berichten zoeken wij het hogerop en wenden ons tot de gemeente Bergen. Die ons per ommegaande niet kan helpen omdat men het niet weet. Omdat het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie. En men het dus ook niet hóeft te weten. Waaróm het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie en waar het dan wél onderdeel van uit maakt, blijft onvermeld. We worden doorverwezen naar het Regionaal Archief in Alkmaar.
Daar valt onze vraag gelukkig in vruchtbaarder aarde en wordt ons zelfs verzocht eventuele verdere bevindingen te delen. Via een door het archief geraadpleegde lokale historicus worden wij vervolgens in contact gebracht met de secretaris van de werkgroep Historisch Onderzoek van de Historische Vereniging Bergen die op zijn beurt weer beschikt over een artikel over de Alexanderflat dat echter nooit werd afgemaakt omdat de auteur ervan voortijdig overleed en dat dus ook nooit werd gepubliceerd maar waarin wel de maker van het wandreliëf dan eindelijk bij naam wordt genoemd. Het is Henk van den Idsert (1921 – 1993). Bij ons roept die naam geen herkenning op maar nader onderzoek wijst uit dat hij in kunstenaarsdorp Bergen geen onbekende is. Sterker nog, mijn eigen schoonvader, die in Bergen woont, herinnert zich hem als een heel prettige man. Heeft zelfs een klein bronzen beeldje van hem op de vensterbank staan. Maar dit terzijde.

P1050947-225x300

Henk van den Idsert is van vóór de opkomst van internet, hij is er maar mondjesmaat te vinden. Dit is een geschilderd zelfportret.

Het is een veelzijdig kunstenaar, Henk van den Idsert, die zich in veel technieken weet uit te drukken. Schilder, tekenaar, aquarellist, graficus, beeldhouwer. En hij maakte mozaïeken, dus. Studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam en is daarna in de leer geweest bij onder meer Matthieu Wiegman en Ossip Zadkine. Hij wordt gerekend tot de latere generatie van de befaamde Bergense School, een zich rond het naamgevend dorp afspelende stroming van expressionistische kunstenaars met kubistische invloeden. Als beeldhouwer staat Van den Idsert bekend om zijn weinig gedetailleerde mens- en dierfiguren. Hij hakte direct in hout of steen en liet zich leiden door de vorm en de eigenschappen van het materiaal. Dat laatste zien we in elk geval terug in het wandreliëf in Bergen aan zee, waar de voorstelling als vanzelf lijkt te ontstaan uit de vorm en de structuur van de gemetselde basaltblokken. Bijzonder hoe uit zulk grof materiaal toch zo’n bescheiden, haast subtiel beeld kan worden gevormd.
Een interessante vraag die nu opkomt maar waarschijnlijk onbeantwoord blijft is of deze twee mannen, Gert Boon en Henk van den Idsert, leeftijdgenoten, elkaar kenden. En was het de architect die bedacht dat de zijgevels uit basaltblokken moesten worden gemetseld en heeft de kunstenaar vanuit dat gegeven zijn ontwerp gemaakt? Of heeft de kunstenaar de architect aan het idee van basaltblokken geholpen?

van den idsert

Het onvoltooide beeld van Henk van den Idsert in de tuin van museum Kranenburgh in Bergen.

Ander beeldhouwwerk van Van den Idsert is op verschillende plekken te zien, zeker in Bergen. Aan de Landweg staat daar De Amazones, bij Museum Kranenburgh De Onvoltooide, in het bijbehorend beeldenbos nog een aantal, en aan de Kerkelaan is een beeldentuin met veertig van zijn werken ingericht, al zijn we er niet honderd procent zeker van dat die nog steeds bestaat.
Rest ons nog onze burgerplicht te vervullen en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op de hoogte te brengen van onze bevindingen.

Jan van Scorel

Voor het voetlicht

Op onze doorreis plaatsen we een belangrijk man of vrouw van elk dorp of stad op een voetstuk; iemand die tot heden onopgemerkt bleef of in de vergetelheid is geraakt. Vandaag praat ik bij met Jan van Scorel.

Tja dat was me wat. Ik ben hier in Schoorl geboren, mijn vader was de dorpspastoor. Ik was dus een onwettig kind. Het was een schande. Ik denk dat ze me daarom naar de Latijnse school in Alkmaar hebben gestuurd. Opgeruimd staat netjes. Ik ging daarna in de leer bij kunstschilder Cornelis Willemsz in Haarlem, vertrok daarna naar Amsterdam en eindigde in Utrecht.  In 1518 had ik het wel gezien in Nederland en ging ik op reis. Ik ging naar Duitsland, waar ik in Neurenberg Albrecht Dürer ontmoette. Die man, daar kon ik nog wat van leren. Ik reisde verder naar Venetië, Palestina, Bethlehem, Jeruzalem. Onderweg maakte ik schetsen. In Rome werd ik benoemd tot opzichter van de pauselijke kunstcollecties in het Belvédère. Het was een heerlijke tijd. Ik woonde in een pauselijk appartement en leidde een kunstzinnig leven, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb in die tijd zelfs nog een paar schilderijtjes van de paus geschilderd. Toen de paus overleed, keerde ik terug naar Nederland.

In 1528 werd ik benoemd tot kanunnik van de Mariakerk in Utrecht, waarmee ik een voornaam geestelijk ambt bekleedde. Ik leefde samen met Agatha van Schoonhoven, en wij kregen vier zonen en twee dochters. Mijn taken als kanunnik liepen uiteen van het beheren van landgoederen tot het aankopen van wijnen voor het kapittel. Voor de Mariakerk ontwierp ik onder meer een oksaal en enkele gebrandschilderde ramen.
Dankzij mijn goede contacten en als gevolg van mijn missies namens het kapittel ontving ik enkele opdrachten voor grote altaarstukken. Ik schilderde  drie veelluiken voor de abdij in het Henegouwse Marchiennes.  Ik schilderde een drieluik voor de Grote Kerk van Breda en in 1550 volgde een opdracht voor de Nieuwe Kerk te Delft. Eervolle opdrachten waren de decoratie en organisatie van de intochten in Utrecht van keizer Karel V in 1540 en van Filips II in 1549. In 1550 nam ik deel aan de restauratie van het veelluik met het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck te Gent.
Veel van mijn schilderijen kun je nog bezichtigen. Er hangt werk van mij in onder andere het Rijks en bij Boymans. Nee, ik was niet zomaar iemand. Ik word gezien als een belangrijk vertegenwoordiger van de renaissance in de Lage Landen.  Dat had je niet gedacht hè?

Jan van Scorel (Schoorl, 1 augustus 1495 – Utrecht, 6 december 1562)

Blik in het blikveld

Plasticjutters

Het is heel gemakkelijk om je ogen tijdens een wandeling op ooghoogte te houden. Voor plasticjutten, moet je echter je blikveld verruimen. Bermen en greppels blijken stortplaatsen van rommel. Zo liepen wij langs het Noordhollands Kanaal en passeerden de achterzijde van een camping. Nou, daar wordt flink gefeest. Maar opruimen, ho maar.  Dat hebben wij maar even gedaan. En omdat blik ook gerecycled wordt, namen we dat en passant ook mee. We raapten niet alles op, want we wilden voor donker thuis zijn. Ook verderop de route hebben we ons ontfermd over grote stukken plastic. Goed bezig, al zeg ik het zelf.

 

Van Schoorl naar Dirkshorn

Fotoalbum

P1030571

De lente van 2019 begon al half februari, zullen we later zeggen, als we oud zijn. Wij liepen vrijdag de 15e de tweede etappe van het Groot Frieslandpad en waren er getuige van. Van Schoorl naar Dirkshorn ging het, onder een stralend blauwe hemel bij hemelse temperaturen. Waar we kwamen waren de mensen opgetogen naar buiten getrokken, om te wandelen, te fietsen of in de tuin te werken. Of gewoon maar wat in het zonnetje te zitten, want dat kon gewoon. We liepen een stukje over de Westfriese Omringdijk, door Krabbendam en Eenigenburg, we zagen Stroet en Groenveld en eindigden in Dirkshorn.
Bekijk gerust, in afwachting van verdere berichten, alvast het fotoalbum.
En omdat we met z’n tweeën lopen, is er ook een tweede fotoalbum.

Het geheim van de Alexanderflat

Kunst onderweg

Op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein in Bergen aan zee staat sinds 1958 de Alexanderflat. De bouw ervan is de geschiedenis ingegaan als het definitieve einde van de blijkbaar ooit nagestreefde kleinschaligheid voor Bergen aan zee, en wordt genoemd als één van de oorzaken dat er nooit echt een centrum is ontstaan, waardoor het dorp een ongestructureerd en rommelig karakter kreeg. Ik praat hier de Dorpsraad na, dat spreekt. De flat telt vier verdiepingen met vakantieappartementen en is er één uit twee of misschien wel meer dozijn. De enige reden het er hier over te hebben is de zijgevel.
De flat lijkt als door twee boekensteunen te worden bijeengehouden door de zijgevels, opgemetseld uit basaltblokken zoals die ook gebruikt worden om golfbrekers mee op te werpen. Een knipoog van de architect allicht naar de op steenworp afstand liggende zee. Een idee dat aardig uitpakt want doordat de basaltblokken onregelmatig van vorm en grootte zijn, ontstaat er een speels metselwerk dat om vele middelpunten lijkt rond te draaien. Gelijk de zee rond een golfbreker kan doen.

IMG_1269

De zijgevel aan de kant van de Zeeweg blijkt bovendien, bij beter kijken, voorzien van een wandreliëf. Er worden twee spelende of dansende figuren uitgebeeld, kinderen misschien. Eén staat er op de handen, de ander staat ernaast te juichen of te zwaaien of anderszins. Je moet inderdaad echt beter kijken anders zie je ze zo over het hoofd, de figuren zijn bijna onmerkbaar in het patroon van de gevel meegemetseld, ze steken alleen iets naar voren, de schaduw verraadt ze. Maar alleen de schaduw. Een bordje met nadere inlichtingen over maker, opdrachtgever of jaar van ontstaan is nergens te vinden, al lopen we er een rondje voor om de flat.
Op internet zijn de figuren zelfs helemaal onopgemerkt gebleven. Nergens is een schaduwrandje van informatie te vinden over wie de kunstenaar is, of zelfs maar de architect van het gebouw. Hoe en waar we ook zoeken, het blijft in nevelen gehuld. Uiteindelijk vinden we een webpagina van de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.. waar ze het ook niet weten. Waar zelfs een oproep gedaan wordt aan eenieder die meer weet over het reliëf en zijn kunstenaar om die kennis te delen.
Tot nader order houden wij het er daarom op dat hier een metselaar aan het werk is geweest, halverwege de jaren vijftig, die eigenlijk een toekomst als kunstenaar voor zichzelf had gewenst maar noodgedwongen in de bouw terecht was gekomen. Er moest brood op de plank tenslotte, hij had een vrouw en twee kinderen thuis. In de bouw was nog altijd werk genoeg, zo kort op de oorlog. Een carrière in de kunst zat er voor hem niet in. Maar hier, op de zijgevel van de Alexanderflat, had hij zijn kans schoon gezien. Al metselend aan de rechter zijgevel had hij gemerkt wat een speels beeld het metselen met de onregelmatig gevormde basaltblokken opleverde. Voor de linker gevel had hij heimelijk besloten zijn fantasie de vrije loop te laten en de wereld te laten zien dat hij meer was dan een metselaar. Hij was dan misschien geen Da Vinci, zijn ambitie was er niet minder om. Bergen was een kunstenaarsdorp, hier zouden ze hem begrijpen. Waarderen misschien zelfs. En zo had hij zijn kinderen vereeuwigd, spelend en dansend in een ter plekke uitgedokterd wandreliëf.

Uiteraard houden wij ons, net als het Ministerie, van harte aanbevolen voor nadere inlichtingen rond dit geheimzinnige kunstwerk.

Een zeehuis vol weeskinderen en bleekneusjes

P1020348

Bij het via de achteruitgang verlaten van Bergen aan zee passeren we het Zeehuis. Een groot en statig, zeer symmetrisch gebouw op de kop van een lange zichtlaan waar je het bij het binnenrijden van Bergen aan zee, aan de andere kant, al ziet liggen. Het Zeehuis, staat er op een wit tableau boven de ingang, weliswaar in kapitalen van een ouderwets lettertype maar iets te armoeiig om origineel te zijn. We lopen er even binnen om de gewenste dagkaart voor het achterliggend duingebied aan te schaffen, zonder er verder veel acht op te slaan. Want ach, hoewel buitengewoon mooi gelegen aan de rand van de duinen in deftig Bergen aan zee, een bijzonder mooi gebouw is het nou ook weer niet per se. Het staat er ook wat verrommeld bij. Met lantaarnpalen, paaltjes, bordjes, heel veel wegwijzers, vuilnisbakken, brievenbus, elektriciteitshuisje. Maar ook met nadrukkelijk niet bijpassende pilaartjes terzijde van het minder fraaie toegangshek, een anachronistische zonwering, te moderne kozijnen, een wel erg karig uitgevallen balkonhek en een bruine, kunststof ingangspartij met ernaast nog een lelijk bord aan de muur. Enfin, dat kon beter.

Bergen aan Zee-zeehuis-1938

De geschiedenis is wellicht bijzonderder. In 1908 werd het gebouwd, als één van de eerste gebouwen in Bergen aan zee, in opdracht van het Burgerweeshuis Amsterdam. Het stond destijds nogal afgezonderd midden in de duinen, erg veel Bergen aan zee was er nog niet. Hier konden grote groepen Amsterdamse weeskinderen de zomer doorbrengen en aansterken, door frisse zeelucht en beweging. Later werd het beheer overgenomen door het Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden, en werd de doelgroep uitgebreid naar de zogenoemde bleekneusjes. Kinderen uit de grote stad die door hun ouders, vaak op doktersadvies, een aantal weken naar de vakantiekolonie werden gebracht, om onder een regime van rust, reinheid en regelmaat wat kleur op de wangen en wat vlees op de botten te krijgen. In het algemeen wat ‘weerstand en eenige beschaving op te doen’. In 1910 werd de kinderkolonie nog uitgebreid met een koloniehuis plus sanatorium voor ziekelijke kinderen, rechts van het Zeehuis; in 1912 met een koloniehuis van de Deutsche Ferienkolonie, links van het Zeehuis; en in 1933 met het bio vakantieoord, dat gevestigd werd in de leegstaande villa op het Russenduin, ver boven het Zeehuis, die nu bekendstaat als Huize Glory. Naar de jaren zestig toe veranderden de sociale omstandigheden, de ideeën over opvoeding en de omgang met kinderen en zo raakten de vakantiekolonies in onbruik. Het laatste bleekneusje vertrok in 1967 uit de villa op het Russenduin. Het Zeehuis was toen al zes jaar in gebruik als natuurvriendenhuis van de Nivon en dat is het vandaag nog steeds.

zeehuis_bergen.jpg(mediaclass-fancybox.c6510c0e15414667d97bb714e21d090f477317ed)

Bij mijn speurtocht naar al deze wijsheid trof ik een filmpje dat een aardig beeld geeft van het reilen en zeilen in het Zeehuis, het dagelijks leven van een bleekneusje op vakantie. Daarvoor was het filmpje ook gemaakt, in 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De titels verontschuldigen zich voor het feit dat het filmpje eigenlijk niet af is doordat het Zeehuis halverwege plotseling moest worden ontruimd vanwege de voormobilisatie. Toch duurt het ruim een half uur, waar dat in onze jachtige tijden hooguit drie minuten had hoeven of mogen zijn. Het is onvoorstelbaar traag, maar wordt daardoor ook bijzonder om naar te kijken omdat je zo inderdaad de tijd hebt je een beeld te vormen van hoe het eraan toeging. Traag, dus. Ik zie vandaag de dag ondenkbare taferelen van kinderen die met tientallen tegelijk rustig en gedisciplineerd tergend lang in de rij staan voor een wasbeurt onder de douche, om ontluisd te worden, om tanden te poetsen. Kinderen die aan lange tafels gezamenlijk met smaak zitten te eten, en die in grote slaapzalen in lange rijen doodstil en kaarsrecht onder de wol liggen te luisteren naar een verhaal dat wordt voorgelezen door iemand in een verpleegstersuniform. Onwillekeurig denk ik terug aan de oorverdovende en zenuwslopende chaos van de meerdaagse schoolreizen van mijn jongens, waar twee docenten en acht ouders maar nauwelijks vat op konden krijgen. Man! Het waren andere tijden, zoveel is duidelijk.

30885910816_bf213c64fe

Toch zijn het ook gewoon kinderen waar ik naar zit te kijken. Kinderen zoals ze vandaag de dag nog altijd rondlopen. Met dezelfde kinderdingen. Dezelfde verlegenheid, dezelfde bravoure, dezelfde vriendschappen. Dezelfde individualiteit ook al. Het is fascinerend om zo een blik te werpen in een voorbij en eigenlijk onbekend verleden dat toch nog zoveel raakvlakken heeft, en ergens ook een soort van vertrouwd aanvoelt. Een vreemd soort nostalgie, dat me vertedert. Maar er is ook de treurig stemmende ondertoon van de wetenschap dat een misschien wel groot aantal van deze kinderen het einde van de oorlog waarschijnlijk niet heeft gehaald. Dat is er ook. Ja, dat is er ook.

Kijk eventueel zelf ook naar het filmpje.

Jonas en de walvis

Kunst onderweg

Als we Bergen aan zee inrijden en het strand naderen, en daarmee het beginpunt van onze wandeling de komende maanden, zien we op de rotonde bij het zeeaquarium een beeld staan. Of beter gezegd, we zien het niet staan. We zoeken een parkeerplekje, we vergewissen ons ervan dat dat gratis is deze tijd van het jaar, we gorden onze rugzakken om, trekken de wandelschoenen aan en gaan op zoek naar een geschikte gelegenheid om de dag te openen met een kop koffie. Zo vergaat het de kunst in de openbare ruimte. Het staat er wel, maar we zien het niet. Niet echt. We geven geld uit aan een museumjaarkaart, of aan entree voor het museum, om daar kennis te nemen van het tentoongestelde, maar de kunst die dagelijks gratis te bezichtigen valt op straten, pleinen en rotondes, daar lopen en rijden we achteloos aan voorbij. Omdat we te druk zijn met iets anders. Dat is jammer denken wij, het staat er niet voor niets tenslotte, en we besluiten ons leven te beteren. Te beginnen met het beeld op de rotonde bij het zeeaquarium in Bergen aan zee.

IMG_1262

Het heet Jonas en de walvis, staat op het bordje in de van kinderhoofdjes gemetselde sokkel, en het is van Nic Jonk (1928 – 1994). Die kennen we wel, die naam. Op onze wandeling langs het Noordhollandpad, vele jaren geleden, passeerden we zijn beeldentuin in Grootschermer. Ook tamelijk achteloos overigens. We denken aan voluptueuze maar tegelijk sierlijke beelden, glimmend zwart, met veel ronde, vaak ook vrouwelijke vormen. Figuratief en toegankelijk. Dat is dit beeld ook. Bij heel slordig en oppervlakkig kijken zou je een soort van boom kunnen zien maar nadere beschouwing levert al snel een menselijke figuur op, in verstrengeling of worsteling met een grote vis. De groep bollen daaronder zal het schuim op de golven van de zee verbeelden.
Jonas en de walvis. Een bekend verhaal, zou je zeggen, maar bij ons is het een beetje een klok en klepel verhaal. Eerlijk gezegd kennen wij het vooral van het oeroud kinderliedje dat onze ouders voor ons zongen: Toen Jonas in de wallevis zat, van je één.. twee.. drie! Daarbij werd je dan aan handen en voeten opgetild in de maat tussen je ouders heen en weer geslingerd. Bij drie werd je losgelaten en plonsde je in het zwembad. Net als bij veel andere kinderliedjes had je geen flauw idee waar het over ging. Kinderen slikken veel voor zoete koek. Het blijkt dus een bijbelverhaal te zijn. Noem ons onwetend zo u wilt, wij wisten het inderdaad niet. Wij zijn niet erg bekend met de bijbel. Dus.

jona bijbels

Jonas, of Jona, was een profeet die van God de opdracht kreeg de bevolking van de stad Ninevé, het huidige Mosul in Irak, een ultimatum te stellen. Wanneer zij hun de Heere onwelgevallige manier van leven niet binnen veertig dagen zouden veranderen zou Zijn toorn hen treffen en zou hun stad worden verwoest. Jonas voelde niet zoveel voor deze taak en maakte zich per schip in tegengestelde richting uit de voeten. Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt bij zijn opdrachtgever, we hebben het hier wel over God tenslotte, en die achterhaalde hem met een flinke storm, waarin het schip met man en muis dreigde te vergaan. In een schuldbewuste poging in elk geval de bemanning van het schip van de ondergang te redden besloot Jonas overboord te springen en zijn leven in de golven te offeren. Dat was nou ook weer niet helemaal de bedoeling van God, aan een dode profeet had Hij ook niet veel, en zo kwam het dat Jonas door een grote vis werd opgeslokt en aldus van de verdrinkingsdood gered. Drie dagen en drie nachten zat hij daar opgesloten voor hij door de vis weer werd uitgespuugd. Dat zal de herkomst van het één, twee.. drie! ritueel uit het kinderliedje zijn, vermoeden wij. Jonas, tot inkeer gekomen tijdens zijn eenzame opsluiting, meldde zich alsnog met zijn onheilspellende boodschap bij de inwoners van Ninevé, die het reuze goed opnamen en hun levenswandel welwillend aanpasten, waardoor hun stad werd gespaard. Niet helemaal tot in de eeuwigheid trouwens want vanaf halverwege de 19e eeuw werd de stad al als een ruïne uit het woestijnzand opgegraven en nog onlangs werd uit hoofde van weer een andere God het nodige onwelgevallig cultuurgoed kort en klein geslagen door Islamistische Staat. Ondoorgrondelijk, wat u zegt.

11875517_1660863454195057_1443373746_n
Nic Jonk voor zijn Jonas en de walvis, bij de onthulling van het beeld in 1977, in Bergen aan zee. De foto is afkomstig van het instagramaccount @levengreetennicjonk.

Nic Jonk heeft Jonas niet ín de walvis afgebeeld. Zo letterlijk heeft hij het verhaal kennelijk niet willen nemen. In zijn beeld wordt Jonas door de vis over de golven des doods gedragen en zo in veiligheid gebracht. De vis moeten we dan zien als het symbool van Jezus en het christelijk geloof, zoals je dat wel eens achterop auto’s ziet geplakt. Veilig onderweg met Jezus. Ook Jonks Jonas heeft zijn arm vol vertrouwen om de vis, zijn God, geslagen. Zo heeft de kunstenaar gekozen voor de diepere betekenis van het verhaal.
We lezen dat Nic Jonk, naast zijn eigen leefwereld, graag koos voor bijbelse en mythische taferelen en dat hij, zoekend naar de perfecte uitbeelding ervan, vaak meerdere versies van één tafereel maakte. Zo zijn er acht verschillende versies van Jonas en de walvis bekend, die onder meer te zien zijn in de straten van Amsterdam, Eindhoven, Tilburg, Heerlen, Vlaardingen en in het museum Beelden aan zee in Scheveningen.
Het beeld in Bergen aan zee werd geplaatst in 1977. Aanvankelijk stond het dichter bij strand en zee en had het de branding en de golven als gepaste achtergrond, maar toen het na een storm in 1990 gevaarlijk dicht op het randje van de duinen kwam te staan, werd het verplaatst naar waar het nu staat, op de rotonde bij het zeeaquarium.

Maria van Reenen – Völter

Voor het voetlicht

Een nieuwe rubriek!
Op onze doorreis plaatsen we een belangrijk man of vrouw van elk dorp of stad op een voetstuk; iemand die tot heden onopgemerkt bleef of in de vergetelheid is geraakt.
Vandaag gaan we op visite bij Maria van Reenen – Völter. We drinken thee uit porseleinen kopjes, de oortjes zijn te klein voor onze dikke vingers. Heel deftig steken we onze pinken in de lucht en knabbelen aan onze Wellingtons. Als ik Maria vraag naar haar verbintenis met Bergen aan Zee, vertelt zij:
Ik werd in 1854 geboren in Esslingen am Neckar als Marie Amalie Dorothea Völter. Mijn vader was hoogleraar, zelf werkte ik destijds als publiciste. Ik trouwde met Jacob in 1882. Jacob van Reenen, mijn lieve man van adel, was voorbestemd om zijn vader op te volgen als heer van de heerlijkheid Bergen. Jacob’s vader had de heerlijkheid ooit voor 172.000 gulden gekocht. Toen Jacob’s vader overleed in 1883, was Jacob te jong om hem op te volgen als burgemeester. In 1885 was het zover, mijn Jacob werd eerste burger van Bergen, met alle kansen van dien. Ik droomde van een Bergen aan Zee, ik houd van reuring en gezelligheid.
Het gedeelte van Bergen dat aan zee lag was, in tegenstelling tot andere badplaatsen, geen vissersdorp met aanloop en levendigheid. Bergen aan Zee bestond louter uit een paar schamele woningen en boerenbedrijven in de duinen. Ik zei tegen Jacob: ‘laten wij met de opbrengsten van de landbouwnederzettingen op ons grondgebied, Bergen aan Zee stichten’. Aldus geschiedde. Het karrenpad werd vanaf Bergen doorgetrokken naar zee, er kwam dat fijne café, Café Maurits en later werd ook de tramlijn doorgetrokken. Ik vond het direct al een aantrekkelijke plaats voor kunstenaars; zo enorm inspirerend, duin, zee en lucht. En buitendien ben ik zelf dol op kunst. Ik heb dat in 1904 onderstreept met het publiceren van ‘De heerlijkheid Bergen in woord en beeld’, waarmee ik Bergen op de kaart zette als een aantrekkelijke plaats voor kunstenaars om er te wonen en te werken. Een kunstenaarsdorp was geboren!
Tja en toen kwam die nare oorlog. En wat doe je dan. Ik zorgde voor de maaltijdverstrekking aan ondervoede kinderen en toen de oorlog afgelopen was stichtte ik een kerkje in Bergen aan Zee vanuit oecumenische opvatting, niet gebonden aan een kerkgenootschap en bedoeld als een appel voor duurzame vrede in Europa. Diverse kunstenaars, die in Bergen een toevluchtsoord hadden gevonden, verleenden hun medewerking bij de vormgeving. Het kerkje werd na mijn overlijden in 1925 ondergebracht in de Marie Amalie Dorothea Stichting.
Trouwens wat ik nog vergeten ben. Ik heb de huishoud- en industrieschool in Alkmaar opgericht. Zes jaar was ik er onbetaald directrice en ik gaf zelfs les. Enig vond ik dat. Daarnaast hield ik ook op andere plaatsen in Nederland een pleidooi voor het oprichten van huishoudscholen. Gelukkig had ik zelf personeel om mij te helpen bij de opvoeding van onze eigen kinderen.
Wist u trouwens dat ik het liedje van den Bergenaar schreef? Zelf herinner ik mij helaas alleen de laatste strofe:

“Heil Bergen, heil het dorpje klein,
Daar aan der duinen rand;
Zoo lief’lijk, zoo vol zonneschijn,
Is geen in ‘t heele land.”

Marie Amalie Dorothea van Reenen- Völter (Esslingen am Neckar, 5 maart 1854 – Bergen, 10 juli 1925)

Breaking the waves

GeenKunst

p1020431

Ook langs het Groot Frieslandpad komen we het tegen. Het is geen kunst. Het is niet bedoeld als kunst. Maar als je er met andere, welwillende ogen naar kijkt, zou het dat eigenlijk best wél kunnen zijn. We noemen het GeenKunst, en maken van de wereld een beeldentuin.
Blader ook eens door de nimmer complete, immer uitdijende catalogus.

Brem, steekbrem en gaspeldoorn

Het is de natuur

Op onze wandeling door de duinen van Bergen aan zee naar Schoorl meenden wij verblijd te worden met een wel heel vroeg voorjaar dit jaar, want zagen wij daar niet een bremstruik in volle bloei staan? En bloeiden die niet pas zo tegen de zomer? Was de natuur nu al zó in de war?

p1020388

Nou, misschien is de natuur ook wel in de war, dat zou heel goed kunnen, maar wij waren het zeker. Eén van onze lezers attendeerde ons erop dat de brem die wij zagen eigenlijk een gaspeldoorn was. En dat is toch het mooie van internet, want zo leer je nog eens iets. Niet alleen dat er waarachtig mensen zijn die ons weblog lezen, waarvoor dank, maar ook over de gaspeldoorn. Wat overigens een schitterend woord is. En een uitstekende naam voor deze struik, die bij nader onderzoek namelijk net zo onsympathiek blijkt te zijn als het woord al een beetje doet vermoeden. Gaspeldoorn. Hoed u voor de gaspeldoorn.

brem en gaspeldoorn

Maar eerst willen wij ter onzer verdediging naar voren brengen dat brem en gaspeldoorn tot dezelfde familie der vlinderstruiken behoren, met ook volgens kenners sterk op elkaar gelijkende gele bloemen. Waarbij de gewone brem ook nog eens algemener voorkomt dan de gaspeldoorn, die als volksnaam tenslotte ook wel doornbrem of steekbrem draagt. Wij bedoelen maar, zo is een vergissing snel gemaakt. En de gaspeldoorn bloeit inderdaad in de winter, mits die niet te streng is, waar de brem het late voorjaar verkiest.
Een ander, misschien belangrijker verschil is dat de gaspeldoorn behalve die verraderlijk lieve kleine gele bloemetjes alleen maar vlijmscherpe doornen heeft. Ook wat dan voor blaadjes moet door gaan is voorzien van gemeen scherpe punten. De naam gaspeldoorn schijnt dan ook te zijn afgeleid van het middeleeuwse woord gaspe, dat ‘haak’, of ‘gespnaald’ betekent. Het zou dus kunnen dat de gaspeldoornen in die goeie ouwe middeleeuwen als gespnaald gebruikt werden, om shawls en kleding bij elkaar te houden. Het zou ook kunnen dat men de struik zo is gaan noemen omdat je je vingers er net zo ongenadig aan kon prikken als aan die fucking gespnaalden altijd!

gespnaald middeleeuws

Ook de wetenschappelijke dus Latijnse naam Ulex Europaeus, die al door Romeins wetenschapper Plinius de oudere genoemd schijnt te zijn, is omineus. Ulex zou in dat scenario namelijk zijn afgeleid van het Griekse woord oulo, dat ‘litteken’ en ‘vernielende kracht’ betekende. We rest our case.
Wat verder niet in haar voordeel spreekt, is dat reeds genoemde lieve kleine gele bloemetjes ook al geen nectar geven, aan onze hardwerkende bijen, die dus gewoon keihard misbruikt worden voor de verspreiding van stuifmeel, zonder dat daar iets tegenover staat.
Tenslotte zijn er zelfs kwade tongen die beweren dat de gaspeldoorn een gevaarlijke plant is, omdat zij de stof ulexine bevat, die in de juiste, niet eens erg grote dosis dodelijk kan uitpakken. Omdat dit stofje wat uitwerking betreft overeenkomsten vertoont met nicotine is er een medicijn tegen rookverslaving mee ontwikkeld dat in Oosteuropese landen verkrijgbaar is, maar dat in ons land niet op de markt is toegelaten omdat de bestaande onderzoeken naar de werking ervan als slecht worden beoordeeld.

bach-gorse-gaspeldoorn-20ml

Het geeft in dit licht te denken dat op internet, onder de vlag van de reeds in 1936 overleden kruidengenezer dr. Bach, een gaspeldoorn-extract wordt aangeboden dat  druppelsgewijs verdund dient te worden ingenomen als remedie tegen een sterk gevoel van hopeloosheid bij mensen die het niet meer zien zitten.
Al deze voor ons nieuwe kennis bij elkaar genomen lijkt het ons vandaag een gotspe dat de gaspeldoorn is opgenomen op de rode lijst van kwetsbare plantensoorten, terwijl het toch overduidelijk is dat deze plant blijkbaar heel goed in staat is van zich af te bijten.
Maar wel lieve kleine gele bloemetjes dus. Midden in de winter. Dat heeft ook wat. Ze schijnen naar kokos te ruiken, maar dat hebben we gelukkig niet geprobeerd.

Nog één keer terug naar de kust

De eerste etappe, van Bergen aan zee naar Schoorl, gelopen op donderdag 3 januari 2019

Na een noodgedwongen pauze van een jaar in onze wandelpraktijk voelde Bergen aan zee als een logisch en vertrouwd vertrekpunt voor een nieuwe grote tocht, die langs het Groot Frieslandpad. Nog eenmaal een etappe langs de kust, na eerder zo lang het Nederlands Kustpad te hebben gelopen. Nog eenmaal door de duinen en langs het strand, de zeewind in de haren en de neus, om de draad weer op te pakken. Nog één keer terug naar de kust. Een overgangsetappe, als het ware. Afscheid van het oude en opmaat tot het nieuwe.

p1020370

Het is een onverwacht mooie dag vandaag, met volop zon tussen een handvol te verwaarlozen felle buitjes door, en een meestentijds toch blauwe hemel, we konden het beslist slechter treffen. We zitten nog pal op de feestdagen, het jaar is nog vers, het is nog kerstvakantie.. kortom, we zijn niet de enigen die eropuit trekken. De strandtent, waar we ons nieuwe avontuur aanbreken met koffie zonder appeltaart, loopt langzaam maar zeker vol. Gezinnen met kinderen in het Duits, oudere stellen in deftige jassen met shawls en licht verwaaide kapsels, mensen met bodywarmers en trouwe viervoeters en kunstzinnige types met hoeden, we zitten niet voor niets vlakbij Bergen tenslotte, het zelfbenoemd kunstenaarsdorp.
Groot is het niet, Bergen aan zee, en we krijgen er ook niet veel van te zien, wat misschien ook weer niet zó erg is, afgaand op wat we er wel van zien. We omzeilen een heel stuk langs het strand en worden dan via de achteruitgang het duingebied in geleid.

p1020355

Vlak daarvoor, aan het eind van de boulevard, passeren we wel nog een rijtje wat oudere gebouwen, dat, hoewel statig en met de nodige allure, de opzichtige poenerigheid van wat er verder zoal aan deze goudkust staat mist, en dat een stukje van de nog jonge geschiedenis van het dorp vertegenwoordigt. Het Zeehuis, met aanliggende gebouwen, dat in 1908, in het toen nog nagelnieuwe Bergen aan zee werd gebouwd. In opdracht en op kosten van het Amsterdams Burgerweeshuis. En dat tot vlak voor de zestiger jaren van de vorige eeuw als kinderkolonie heeft gediend, waar Amsterdamse bleekneusjes, onder het regime van rust, reinheid en regelmaat, een aantal weken konden genieten van strand, bos en duinen, zon, zee en frisse buitenlucht. In één van de gebouwen ter linkerzijde schijnt later Adriaan van Dis nog te zijn geboren en turbulente jeugdjaren te hebben doorgebracht, altijd leuk om te weten dat soort dingen; het Zeehuis zelf is nu een natuurvriendenhuis van Nivon, waar we even binnenlopen om een kaartje voor het duingebied te kopen, zoals het de goed opgevoede wandelaar betaamt; en de gebouwen ter rechterzijde vertonen alle kenmerken van inmiddels in officiëlere status omgezette bewoning door krakers. Van hoog boven ons worden wij tenslotte nog gadegeslagen door Huize Glory, waarvan we alleen het overal bovenuit stekend torentje zien, dat de hele wandeling zichtbaar zal blijven aan de horizon.

p1020404

Tot aan Schoorl zullen we geen bebouwing meer tegenkomen. We wandelen door een afwisselend duinlandschap, klimmend en dalend over zanderige paden en paadjes, door luchtige eikenbosjes waarvan de boompjes al net zo onbezorgd vrolijk kronkelen als de paden zelf. Maar ook door compacte, bijna donkere naaldbossen, met kaarsrechte stammen in streng geometrisch gelid, die doen denken aan het onheilspellend bos uit De Noorderlingen, van Alex van Warmerdam. Waar je elk moment een postbode verwacht, die bij een vijver heimelijk brieven zit open te stomen, boven een fluitketeltje op het vuur. Of een bijziende jager op een herenfiets, met een geweer op de rug.
We wandelen over open vlaktes, waar wind en zand vrij spel hebben, en over heidevelden waarvan je het jammer vindt dat je te laat bent voor de bloeiperiode.

p1020386

Hoewel de natuur zich blijkbaar niet zo heel strikt meer aan al die opgelegde tijdschema’s houdt want we passeren ook een in volle, felgele bloei staande bremstruik, zodat we ons heel even in een nog wat fris voorjaar kunnen wanen. Verder zijn de kleuren winters. Maar als je goed kijkt zijn ze verre van somber. We zien het helle, bijna oplichtende groen van het mos dat opkruipt tegen wortels en stammen en dode stronken bedekt. Grote vlakken IJslands mos, met de kleur van koperpatina. Het roodbruin tapijt van dennennaalden dat over dalen en duinen glooit en dat, wanneer de zon erop staat, opwarmt tot bijna vuurrood. En zelfs het zwart van de uitgebloeide en schijnbaar dode heide bestaat uit subtiele schakeringen van donkerbruin en paars.
Op het strand, dat we ook nog even aandoen, zien we een grote groep strandlopertjes schattig op één poot aan de rand van de branding staan, de snavels op de rug tussen de veren gestoken, wat drentelende scholeksters eromheen, met hun knalrode zwaarden recht vooruit. En meeuwen, natuurlijk meeuwen. In de duinen hangen geheel in het zwart gehuld als boze pubers wat grote grazers lusteloos in het rond.

p1020408

Niet ver van het strand van Schoorl zien we wat wind met het landschap kan doen. De bomen die hier groeien hebben zich goedschiks of kwaadschiks naar haar grillen geschikt: wat hoog is staat zwaar uit het lood geblazen en wat laag is gebleven zoekt het vooral in de breedte, en probeert niet boven het duin uit te steken waarachter het zich angstvallig verschuilt. Het biedt een bijzondere aanblik van weerbarstige meegaandheid.
We zien armzalige restjes bomen en gehavende staketsels eenzaam bij elkaar staan in een verder kale vlakte en vermoeden het gevolg van de grote bosbranden die hier zo’n tien jaar geleden hebben gewoed. Er is zelfs een roetroute uitgezet. We zien ook inderdaad stammen die een zwarte rok dragen, waar het vuur zichtbaar aan gelikt lijkt te hebben maar die de dans verder zijn ontsprongen. Tijdelijk. Want de naaldboom, die hier ruim honderd jaar geleden werd aangeplant om de dorpen erachter te beschermen tegen wegstuivende duinen en sindsdien in toenemende mate in alomtegenwoordigheid de boventoon heeft gevoerd, moet de laatste tijd en de komende jaren ruim baan maken voor nieuwe visies op deze natuur. Staatsbosbeheer, de eigenaar van het gebied, wil een meer afwisselend duingebied creëren, waar ook weer ruimte is voor stuivend zand, open vlaktes en zelfs de zee, zo af en toe. Voor heidevelden en loofbomen, nattere en drogere gebieden, een gezonder grondwaterpeil. Om zo ook uit beeld verdwenen planten- en diersoorten terug te brengen. We overtuigen onszelf ervan dat het ook in dit geval niet goed zal zijn alles altijd maar bij het oude te  houden, dat alles tenslotte altijd in beweging is. Het levert soms de treurig stemmende aanblik van hoge stapels in stukken gezaagde boomstammen op, en tijdelijk kaalgeslagen stukken duin, maar dat moeten we er dan misschien maar voor over hebben.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum van deze etappe.

Blije eikel

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

blije eikel bergen aan zee

Voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit, langs tuinpad en oprijlaan.
Deze ‘blije eikel’ troffen we aan, te midden van een kunstzinnig staketsel van takken en ijzerdraad, aan de oprijlaan van een voorheen statig pand aan het randje van Bergen aan zee, waar in vroeger tijden Amsterdamse bleekneusjes wat gezonde zeelucht kwamen opsnuiven maar dat nu bewoond wordt door haar voormalige krakers.

De waarheid over Bergen aan zee

Wandellimerick

Het duingebied tussen Bergen en Schoorl wordt het breedste duingebied van ons land genoemd, met bij Schoorl zelfs ook nog de hoogste duintop van Nederland. Wonderlijk toch, die neiging om overal altijd een wedstrijd van te willen maken. Die behoefte aan extremen ook. De hoogste, de diepste, de kleinste, de grootste, de breedste, de smalste, de oudste, de nieuwste.. Wordt een duingebied er mooier van wanneer het het breedste is? Wordt het minder interessant om doorheen te wandelen wanneer het níet het breedste is? Kunnen we de op één na hoogste duintop maar beter overslaan? Laat staan wat daaronder nog komt? Wij vinden van niet. Onder een meestentijds strakblauwe lucht maken wij een schitterende wandeling door dit fantastische duingebied. Op ons gemakje klimmend en dalend, van uitzicht naar aanzicht en inzicht. Zelfs de hoogste duintop van Nederland is goed te doen.

p1020509

De waarheid over Bergen aan zee
een wandellimerick
Je kunt naar de bergen, of je kunt naar de zee..
slechts in Bergen aan zee kun je naar alletwee.
Al zien we bij ‘t struinen
door Hollandse duinen:
het valt met de bergen in Bergen wel mee.

Een nieuwe gewoonte

Plasticjutters

Een paar jaar geleden liepen wij het Hollands Kustpad. We maakten er een gewoonte van om plastic flesjes en plastic zakken die we tegenkwamen op de dijken in Friesland en Groningen mee te nemen en elders weg te gooien. Het was geen doen, zoveel rommel lag er.
In 2019 gaan we tijdens onze wandelingen op het Groot Frieslandpad structureel plasticjutten. Voor de goede zaak! De plasticopbrengst tijdens etappe 1 was gelukkig laag. Een achteloos achtergelaten waterfles, een weggewaaide snoepverpakking. Er lag waarschijnlijk wel meer, maar we moeten even in onze rol komen.
Het staat eenieder vrij ons voorbeeld te volgen.

Van Bergen aan zee naar Schoorl

Fotoalbum

p1020433

Op een stralende, frisse donderdag 3 januari openden wij het nieuwe wandelseizoen met de eerste etappe langs het Groot Frieslandpad, dat ons de komende maanden naar Leer in Ost Friesland Duitsland zal brengen. Van Bergen aan zee naar Schoorl voerde ons de eerste dag. Een wandeling door een uitgestrekt duingebied met hier en daar een stukje strand en zee. Bekijk gerust alvast het fotoalbum.
En omdat we met z’n tweeën lopen is er ook een tweede fotoalbum.

Langs het Groot Frieslandpad

Vertrekpunt

overzichtskaartje groot-frieslandpad

Meer dan een jaar geleden sloten we het Nederlands Kustpad af, in Bad Nieuweschans. Er is veel gebeurd in dat jaar. Omstandigheden die ons beletten aan een nieuwe gezamenlijke wandeling te beginnen, zoals we dat van plan waren. Maar nu is dat jaar voorbij en hervatten wij  onze wandelpraktijk onlangs in Bergen aan zee, met de eerste etappe van het Groot Frieslandpad. Vol goede moed en levenslust.
Na zo lang langs het Kustpad te hebben gelopen, van Hoek van Holland naar Bad Nieuweschans, voelde Bergen aan zee als een logisch en vertrouwd vertrekpunt. Nog eenmaal een etappe langs de kust, door het duingebied tussen Bergen en Schoorl. Een overgangsetappe. Afscheid van de oude en welkom aan de nieuwe wandeling.
Waar we geen afscheid van nemen zijn een aantal rubrieken waar we al wandelend langs het Kustpad zelf veel plezier aan hebben beleefd.
In ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ bijvoorbeeld, blijven wij ook langs het Groot Frieslandpad voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit zoals die zich aan ons aandient langs oprijlanen en tuinpaden, in borders en op gazons.
De rubriek ‘Geen Kunst’ blijft de plek waar we kunstwerken verzamelen die niet als kunstwerk bedoeld zijn, maar die, wanneer je het wilt zien en als je er zo naar kijkt, er heel goed voor door kunnen gaan. Waarom niet?
Voor ieder stadje, dorp of gehucht waar we doorheen wandelen, blijven we lopende voort een wandellimerick maken, zoals we dat vanaf Stavoren deden. Aanleidingen dienen zich meestal wel aan. Soms in de vorm van een ontmoeting of een observatie, dan weer als uitzicht, aanzicht of inzicht.
Uiteraard blijven we verslag doen van onze avonturen onderweg, met wandelverslag en fotoalbum, dat hoeven we eigenlijk niet uit te leggen. Aangevuld af en toe misschien met een losse uitweiding over iets bijzonders op onze weg.
Nieuwe rubrieken kunnen we ook aankondigen, het is altijd goed om nieuwe plannen te hebben. Zo bekommeren we ons actief om het milieu door onderweg het plastic afval dat we tegenkomen op te rapen en mee te nemen, om het thuis in de plasticbak te gooien, waar het hoort. In de rubriek ‘Plasticjutters’ doen we telkens verslag van de oogst en zo hopen we eenieder te enthousiasmeren hetzelfde te doen. Uiteindelijk is het natuurlijk het beste wanneer iedereen zijn eigen afval meeneemt naar huis, plastic of niet, maar wij denken graag dat positieve actie meer zoden aan de dijk zet dan gemopper en gevit. Dus.
‘Kunst onderweg’ is ook een nieuwe rubriek, waarin we aandacht hebben voor kunstwerken die we onderweg tegenkomen, en die ook als kunstwerk bedoeld zijn, voor alle duidelijkheid. Kunst in de openbare ruimte. Meestal loop je er wat achteloos aan voorbij, maar dat zou eigenlijk best eens zonde kunnen zijn.
En als laatste nieuwe bijdrage schrijven we bij iedere gewandelde etappe een wandelgedicht, waarin de wandeling op meer poëtische wijze haar neerslag krijgt en in herinnering blijft.
Mochten we onderweg op nog meer nieuwe ideeën komen, dan merken we het vanzelf. Voor nu verklaren wij dit wandelweblog voor heropend.

Oude liefde roest niet

nweschans oude liefde roest niet

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze gekoesterde vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen op onze wandelingen. Nu nog langs het Nederlands Kustpad, straks langs het Groot Frieslandpad. We vinden ze op gazons en in borders. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Langs tuinpaden en oprijlanen. En naast menig voordeur. Bijgaand tafereel zagen wij in Bad Nieuweschans.
Wij verzamelden de vaderlandse culturele identiteit langs het Nederlands kustpad in een boekje. Bekijk gerust de online versie ervan.

Op visite bij de Jonker

Ter afsluiting van het Nederlands Kustpad, waarvan we de laatste etappe liepen op vrijdag 29 december 2017

Omdat onze laatste wandeling langs het Nederlands Kustpad een korte zou worden, een staartje dat ons de etappe ervoor juist zou hebben genekt, zeker in tijden van winter en vroeg donker, hadden we, om ook de rest van de dag aangenaam te vullen en de lange reis de moeite waard te maken, een middagprogramma voor onszelf bedacht. Zo etappes wandelend komt het regelmatig voor dat je ergens langs loopt waar je eigenlijk naar binnen zou willen, om het meer aandacht te geven, het beter te bekijken. Of dat je iets op de kaart ziet staan dat je aantrekt, of als bijzonder voorkomt, maar waar je net niet langs komt, met je gemarkeerde route. Het leek ons leuk deze laatste middag aan een aantal van dit soort dingen te besteden. De Menkemaborg bijvoorbeeld.

DSC01645

We waren er weliswaar twee keer eerder, we eindigden er een etappe en startten er de volgende weer op, maar in beide gevallen kwamen we niet verder dan het Schathoes, het café restaurant dat gevestigd is in de voormalige schuren en stallen van de borg. De eerste keer met nog een flinke autorit naar huis voor de boeg en bovendien na sluitingstijd, de tweede keer met nog een hele wandeling te gaan. Vanmiddag brengen we dan een wat uitgebreider bezoek. Waarvan we achteraf al meteen weer zouden kunnen vaststellen dat het eigenlijk ook weer te kort was om alles de aandacht te geven die het verdiende, maar dat doen we niet want dan blijven we aan de gang.
De vrijwilliger die de deur voor ons open doet – je moet aanschellen alsof je op visite komt bij de jonker – ziet er niet bepaald uit of hij het ook inderdaad vrijwillig doet. Het kan door de temperatuur komen, het is bepaald fris in huis en gestookt wordt er niet, maar zijn gezicht draagt een uitdrukking van diep neerslachtige vermoeidheid. Zuchtend alsof hij het nu uit eigen zak moet bijpassen haalt hij onze museumjaarkaarten langs de scanner, lusteloos sjokt hij de rest van ons bezoek de gang op en neer en laat zich nu en dan gekweld onderuitzakken in een stoel, wachtend op het onvermijdelijke einde van deze prachtige dag die hem gestolen kan worden. Wij besluiten hem in zijn chagrijnig sop gaar te laten koken en kuieren genoeglijk van enorm vertrek naar enorm vertrek en krijgen aldus, geheel naar de bedoeling van het museum, een aardige indruk van het rijke leven van een Groningse jonker in de 17e eeuw.

Beckeringh_-_Borg_Menkema,_Uithuizen

De Menkemaborg heeft een geschiedenis die teruggaat tot de 14e eeuw, waar het allemaal begon met een eenvoudig, goed verdedigbaar rechthoekig stenen huis. In de loop van de eeuwen erna werd dit huis uitgebreid tot een U vormig gebouw dat omstreeks 1700 dan weer grondig werd verbouwd en verfraaid tot het rijk geornamenteerde paleisje dat het nu is. We zien hoge plafonds, wanden bespannen met linnen of zijden damast, schilderijen, schilderingen op wanden en deuren, grisailles die stucwerk moeten suggereren boven de deuren, kastenvol exclusief chinees porselein en alles even rijk gemeubileerd met kabinetten, kroonluchters en rijk bewerkte tafels en stoelen van dure houtsoorten. Ieder vertrek voorzien van een eigen vuurplaats met enorme, gebeeldhouwde schouwen erboven. Allert Meijer, die later stadsbouwmeester van Groningen werd, wordt genoemd als de schepper hiervan. Ook als creatief brein achter de grootscheepse verfraaiing van de borg trouwens. Van onze wandeling kennen wij hem inmiddels ook als de man van de exotisch blauwe toren van Uithuizermeeden, die op  steenworp afstand aan de horizon staat. Een soort van weerzien dus.
Als we de trap afgaan voor de keuken en de dienstvertrekken worden de 17e eeuwse verhoudingen meteen duidelijk. Hier is het sober en donker. De plafonds zijn zo laag dat je je hoofd wel aan de balken moet stoten. De mensen waren kleiner van stuk misschien, in de 17e eeuw, maar het plafond zal zeker op ze hebben neergedrukt en ze hebben gedwongen tot de gedienstige houding die ze boven, bij de familie, ook zeker van pas zal zijn gekomen.
Het rijke Groningse verleden voor ons gevoel iets meer recht gedaan hebbend verlaten we de Menkemaborg, met gepaste eerbied. De vrijwilliger zakt nog wat verder onderuit in zijn stoel en groet maar nauwelijks terug. Voor hem is de dag nog een stuk langer dan voor ons. Op weg naar nieuwe avonturen, worden we nagekeken door twee schele leeuwen.

Tot hier heeft de Heer ons geholpen

tot hier cover

Er is altijd veel te doen om onze culturele identiteit. Maar wat ís eigenlijk onze culturele identiteit? Hoe ziet die eruit? Waar bestaat-ie uit? Waar zit het ‘m in?
Wij zochten en vonden langs het Nederlands Kustpad. Daar stond hij. Langs tuinpaden en oprijlanen. In borders en gazons. Op stoepen, stoepjes en terrassen.
Alle voorbeelden van onze veelbesproken vaderlandse culturele identiteit verzamelden wij in een boekje. Alle foto’s die al eerder op dit weblog verschenen staan erin, en meer.
Bekijk rustig de online versie. En informeer eventueel bij ons naar de mogelijkheden.

Wie van de drie

nweschans have a seat wie van de drie

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veel- en felbesproken, geliefde en verguisde vaderlandse culturele identiteit. Voorbeelden die we tegenkomen op onze wandeling langs het Nederlands Kustpad. Straks het Groot Frieslandpad. Langs oprijlaan en tuinpad, op stoepen, stoepjes en bordes. Dit tafereel troffen wij in Bad Nieuweschans.

Uit Nieuweschans

een wandellimerick

Voor iedere plaats waar we door lopen langs het Nederlands Kustpad maken we een limerick, de terugkerende lezer weet het inmiddels. Een wandellimerick. We begonnen ermee in Stavoren en vandaag, aan het eind van ons kustpad, hebben we een flinke bundel bij elkaar gewandeld en gerijmd. Gefilosofeerd ook, soms. Want zo werkt een wandellimerick. Je maakt hem al wandelend. Samen. Improviserenderwijs en stapvoets, op het ritme van de wandeling. En een aanleiding dient zich meestal vanzelf wel aan, als je je ogen open houdt. Daar heb je verder alleen je fantasie bij nodig, dus vergeet die niet mee te nemen.
Ondertussen zijn we zo verknocht geraakt aan onze wandellimericks dat we besloten hebben hier straks langs het Groot Frieslandpad gewoon mee door te gaan. Maar dat is voor de toekomst. Nabije toekomst, maar toekomst.

DSC01618

Na vier jaar wandelen liepen we Bad Nieuweschans dan binnen deze dag, en lieten ons door een plaatselijk journalist vertellen dat dat ooit, aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog, als vestingstadje aan de Dollard uit de grond werd gestampt. En dat er op het ruime plein waar wij nu stonden ooit soldaten exerceerden die de Spanjaard uit onze provisiekast moesten trappen. Er was niet heel veel meer dat daar levendig aan deed denken. Dankzij de journalist traden zij voor ons heel even uit de vergetelheid.

nieuweschans[1]

En over vergetelheid gesproken.. Vroeger werd Bad Nieuweschans gewoon Nieuweschans genoemd en zo herinnerde ik mij er ook, ook van vroeger, een liedje van. Jans Pomerans uit Nieuweschans. Zo heette het. Ik vond dat des te leuker, dat ik mij dat herinnerde bedoel ik, omdat wij ons weblog tijdens de eerste helft van het Kustpad regelmatig opvrolijkten met liedjes van en over de plaatsen waar wij door wandelden. Het leek mij dus ronduit te kloppen wanneer wij het kustpad nu ook af konden sluiten met zo’n toepasselijk lied. Mijn wandelgenoot, die in de muziek zit nota bene, kende het lied echter niet. Zelfs toen ik het refrein niet onverdienstelijk voorzong ging er geen lichtje op. Zelfs toen ik vertelde dat Ria Valk er nog goede sier mee had gemaakt in Op Losse Groeven, vroeger, had zij geen flauw idee. Tja. Op internet waren ze nog wel te vinden, Ria Valk en Jans Pomerans, al was het bij omroep Max. Op seniorplaza. Het feit dat ik mij nog live dingen weet te herinneren die alleen bij een bejaardenomroep zijn terug te vinden is natuurlijk hilarisch, dat begrijp ik heus wel, en het zegt iets over mij misschien, maar nader onderzoek wees uit dat Ria Valk het allemaal niet zelf had verzonnen. Jans Pomerans is nog véél ouder dan dat, en ik ken gewoon mijn klassiekers. Het werd geschreven door Jacques van Tol en Willem Ciere en in 1924 voor het eerst op de plaat gezet door George Hofman. Ook Jans ontrukken wij hier kort aan de vergetelheid waarin zij, misschien ook niet geheel ten onrechte, is geraakt.

Uit Nieuweschans

In de oude vesting Nieuweschans
exerceerden soldaten met musket en lans.
Maar ach.. zij verloren de strijd
tegen vergetelheid..
net als veel later Jans Pomerans.

Wat een opluchting

nweschans wat een opluchting

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze geliefde vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen op onze wandeling. Langs oprijlaan en tuinpad, op stoep, stoepje of terras, in border, gazon of portaal. Of in de berm dus, zoals hier in Bad Nieuweschans.

Dood in Nieuwe Beerta

een wandellimerick

Voor iedere plaats waar we door lopen langs het Nederlands Kustpad maken we een limerick, zo hadden we bedacht. Een wandellimerick. Al wandelend gaat dat. Improviserenderwijs en stapvoets, op het ritme van de wandeling. Een aanleiding dient zich meestal vanzelf wel aan, als je je ogen open houdt.
We begonnen ermee in Stavoren. Inmiddels zit het Nederlands Kustpad er zo’n beetje op en hebben we een flinke verzameling bijeen gerijmd, gedicht en gefilosofeerd. Met veel plezier, het belangrijkste aspect van het pleijsierdicht tenslotte. We zijn er zelfs zo aan verknocht geraakt dat we besloten hebben hier straks langs het Groot Frieslandpad gewoon mee door te gaan. Maar dat is voor de toekomst.

DSC01579

In Nieuwe Beerta vonden wij de recente geschiedenis van het gebied op ons pad. Beiden hadden we het boek De Graanrepubliek van Frank Westerman gelezen, over de grimmige ontwikkelingen die zich hier eind negentiende, begin twintigste eeuw hebben voltrokken. De enorme verschillen tussen de herenboeren die met hun steeds verder groeiende bedrijven steeds maar rijker werden, en de kleine boertjes en landarbeiders die eronder werden gehouden, met lage lonen en weinig rechten. Die verschillen tussen arm en rijk meenden wij in het Nieuwe Beerta van vandaag nog altijd terug te kunnen zien. De ruim opgezette, goed onderhouden en soms rijk gedecoreerde boerderijen langs de hoofdweg contrasteerden scherp met het armetierige arbeiderswijkje waarlangs we binnen waren komen lopen. Een contrast dat zich voortzette op de verderop gelegen begraafplaats, waar karige graven met scheefgezakte stenen van gruizig, bemost cementbeton bescheiden figureerden tussen pontificaal zwartglimmende, rijk gebeeldhouwde familiemonumenten van natuursteen. Hoe het in het hiernamaals geregeld is, daar bestaan natuurlijk allerlei idealistische ideeën over. Dus dat hopen we dan maar.

Dood in Nieuwe Beerta

Zelfs op het kerkhof is ‘t in Nieuwe Beerta praktijk:
de armen zijn arm en de rijken zijn rijk..
Maar al is je graf kaal,
of gepimpt met pracht en praal,
voor de Dood is uiteindelijk eenieder gelijk.

Won’t somebody dance with me?

nwe beerta won't somebody dance with me

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veel- en felbesproken, vaak warm gekoesterde vaderlandse culturele identiteit. Voorbeelden zoals wij ze tegenkomen tijdens onze wandelingen, nu nog het Nederlands Kustpad, straks het Groot Frieslandpad. We vinden ze langs oprijlanen en tuinpaden, op stoepen, stoepjes en terrassen, in borders en gazons. Bovenstaand tafereel troffen wij in Nieuwe Beerta.

Graanrepubliek in winterslaap

De laatste etappe van het Nederlands Kustpad, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans, liepen we vrijdag 29 december 2017

Het wordt een bijzondere dag vandaag. Daar hoeft al niets bijzonders meer voor te gebeuren. Vandaag lopen we het laatste stukje van het Nederlands Kustpad. Een staartje rest ons slechts, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans. Vier jaar geleden stapten we in Hoek van Holland uit de trein voor het eerste stuk naar Den Haag – Zeeland sloegen we over, dat viel niet te bereizen – en meanderend door het leven en de seizoenen liepen we vervolgens in zo’n dertig etappes langs de kusten van Zuid- en Noord Holland, Friesland en Groningen. Met de kop in de wind en de zon op de bol welgemoed langs de rand van het land. Een prachtige wandeling, elke keer weer. Een weblog vol. En vandaag bereiken we dan wat al die tijd onze eindbestemming is geweest. Daar zouden we trots op kunnen zijn, zou dat in onze aard hebben gelegen. Maar goed. Vandaag komt een periode ten einde. Zo voelt het ook. Laten we er maar geen drama van maken, er valt nog genoeg te wandelen.

DSC01534

Het is 29 december. Ook het jaar is bijna af, de kerst zit er al op. Het is koud maar onbewolkt. De zon staat laag en werpt lange, lange schaduwen. Wanneer we in Kostverloren van de weg af landinwaarts buigen, strekt zich een oneindig niets voor ons uit. Kale akkers, lege velden. Door geen huis, geen schuur, geen boom of struik onderbroken leegte tot aan de in koude nevelen gehulde einder. De graanrepubliek in winterslaap. Lange rechte stukken, door een modderig weiland langs een sloot. Onder de blauwe hemel. In de zilveren zon.
Goed, de graanrepubliek mag in winterslaap zijn, ter sprake komt hij toch, wanneer we Nieuwe Beerta bereiken. Beiden lazen we het boek van Frank Westerman, over de soms grimmige geschiedenis van deze streek. Over de enorme tegenstellingen en verschillen tussen landeigenaar en landarbeider. Tussen arm en rijk. Een geschiedenis die zich niet afspeelde in een duister, ver verleden maar gewoon in de twintigste eeuw. Gisteren. Recente, vaderlandse geschiedenis. Zo recent dat het lijkt of we er hier, in Nieuwe Beerta, de nog verse sporen van kunnen zien.
We lopen binnen door een verzameling nogal verwaarloosde, verveloze huizen, barakken bijna, dichtgetimmerd hier en daar, met rommelige, onverzorgde erven waar een wat armoeiig, vrijbuiterig sfeertje omheen hangt. Op de grens van die bebouwing, aan de hoofdweg, tegen de achtergrond van nog meer lege graanvelden, staat een kerkje op zijn wierde zich van geen kwaad bewust te zijn. Links en rechts de hoofdweg afkijkend zien we dan, zover het oog reikt, op riante afstand van elkaar, kastelen van huizen staan. Paleizen met torentjes, balkons en erkers en serres, gelegen in onafzienbare tuinen. Hier hebben ze dus gewoond, de herenboeren. Temidden van hun rijk bezit, onder het goedkeurend oog van dominee en de Heere. Rijk geworden van het graan, de vruchtbare bodem, de stijgende graanprijzen en de laag gehouden lonen.

DSC01562

Op een informatiebord lezen we van de landarbeidersstaking van 1929, met als inzet een eerlijker loon. Een staking die door het gezag als communistische opstand werd gezien en met harde hand werd neergeslagen. Arbeiders die om hun goed recht ontslagen werden, hun huis uit werden gezet en in het gevang belandden. Landeigenaren die zich onverzettelijk toonden, geen dubbeltje méér wensten te betalen en kerk en staat behaaglijk achter zich wisten. Zelfs op de verderop gelegen begraafplaats zijn achter de fraaie toegangshekken de verschillen te zien, menen wij. Zeer eenvoudige stenen van cementbeton en sobere graven steken karig af tegen rijkversierde, gebeeldhouwde en ruim opgezette zwart natuurstenen familiemonumenten. Hoe het er in het hiernamaals inmiddels voor staat, dat weten we niet. Maar we maken ons geen illusies.
We lopen nog een eindje verder door het barre land, volgen even een spoorlijntje zonder bovenleiding en staan dan, na vier jaar wandelen, vrij plotseling in Bad Nieuweschans. Voorheen heette dat gewoon Nieuweschans – denk maar aan Jans Pomerans, die er vandaan komt – maar omdat men heeft besloten zichzelf in de wellnessbusiness op de kaart te zetten is er een jaar of tien geleden het Duits te interpreteren Bad aan toegevoegd. In de hoop dat de toeristen daar in groten getale op af zouden komen.

DSC01641

Om onze wandeling ook echt en wel zo leuk tot het allerlaatste eind te volbrengen, lopen we door tot aan de Duitse grens. Dat pakt onderweg heel aardig uit want zo komen we ook terecht op een ruim, wat ovaalvormig plein dat enige historie doet vermoeden, met statige oude gevels en een piepklein met leisteen afgewerkt torentje, uitgestald rond een zeer langgerekt grasveld. Terwijl we wat rondkijken en fotograferen en ons afvragen of dat grasveld misschien ooit water is geweest dat werd gedempt, een haventje zelfs misschien, en of dat torentje nou wel of niet van een kerkje is, stopt er een meneer op de fiets die zich niet zonder trots bekend maakt als journalist, redacteur én uitgever van de plaatselijke online nieuwsdienst  en ons genoeglijk voortbabbelend wegwijs maakt in Nieuweschans. Zo weet hij te vertellen dat het plein waar we staan in vervlogen tijden een exercitieterrein is geweest, we spreken dan van begin 17e eeuw, het staartje van de Tachtigjarige Oorlog. Nieuweschans was toen een juist opgeleverd vestingstadje als Bourtange en huisvestte in de bebouwing om ons heen enige compagnieën soldaten en kanonniers, zijstraten van het plein heten nog altijd eerste en tweede kanonnierstraat. Het torentje is van 1631 en hoort niet bij een kerkje maar completeert de Hoofdwacht, het gebouw waarvoor ieder uur ceremonieel de wacht werd gewisseld.

DSC01612

Verder is er, in tegenstelling tot wat wij in de gauwigheid menen te hebben gezien, geen sprake van leegstand in Nieuweschans, vertelt de man. Eerder van woningnood. Jongeren trekken weg uit het dorp omdat er niet voldoende geschikte woonruimte is. Werk is er genoeg, bij de bronnen van Fontana en de strokartonfabriek. Probleem is dat er wegens verordeningen ook niet echt gebouwd mag worden, aldus nog altijd onze correspondent, maar, weet hij ook, daar gaat verandering in komen. Er wordt gewerkt, aan Nieuweschans. Economische prikkels staan op stapel. Ook de oude locomotievenremise, waar we bij binnenkomst langs zijn gelopen, wordt straks heringericht en zal als Centrum van de Graanrepubliek ruimte gaan bieden aan allerlei hippe initiatieven rond het thema graan, zoals een bierbrouwerij, een bakkerij en restaurants waar gekookt wordt met lokale producten. Nieuweschans, nogmaals, wordt op de kaart gezet. Op het randje ervan misschien, maar niettemin.

DSC01632

Aan de grens met Duitsland dan, ons eindpunt, worden we verwelkomd door een dame met twee honden. Met enige bewondering in haar stem en blik constateert ze dat wij Het Pad lopen. Daar heeft zij diep respect voor, laat zij ons weten. We nemen haar compliment met gepaste bescheidenheid in ontvangst al vinden we diep respect wat overdreven, we hebben tenslotte niet eens echt het héle pad gelopen maar zijn in Hoek van Holland gestart. Als we even later een bord bestuderen waarop onze wandeling in lijnen en stippen op een kaart staat afgebeeld, zien we dat het Nederlands Kustpad deel uitmaakt van een veel groter geheel, een wandelroute namelijk die zich uitstrekt van zuidelijk Spanje tot aan St Petersburg aan toe. We vragen ons voorzichtig af of de dame ons niet verkeerd heeft begrepen. Hoe dan ook blijkt eens te meer dat, al staan we hier aan het eind van deze tocht, er nog voldoende te wandelen over blijft. Waarvan akte.

One day I’ll fly away

DSC01628

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veel- en vaak felbesproken vaderlandse culturele identiteit. Voorbeelden zoals wij die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs tuinpad en oprijlaan. Op gazons, in borders en perken. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Bovenstaand tafereel troffen wij aan tussen Hongerige Wolf en Kostverloren.

Oorzaak en gevolg in de Carel Coenraadpolder

een wandellimerick

De trouwe lezer weet het inmiddels, voor iedere plaats waar we doorheen wandelen, langs het Nederlands Kustpad, maken wij een wandellimerick. Een zelfverzonnen nieuwe loot aan de stam van de light verse. Voor de lol dus. Het eigen genoegen.
De wandellimerick ontstaat tijdens de wandeling, in de buitenlucht, op het ritme van de tocht. Stapvoets. Improviserenderwijs, slechts gebruik makend van parate kennis dan wel fantasie en taalgevoel. Geheel en al analoog. En een aanleiding kan worden gevonden in alles wat men onderweg tegenkomt, ziet, of opvalt. En dat is bijna altijd wel iets.
Van Kostverloren vroegen wij ons af waar of die naam vandaan zou komen. Wat hij zou betekenen. Waarom Kostverloren uitgerekend Kostverloren heette. Ons wandelboekje bracht ons op een spoor. De polders die hier op de zee werden veroverd, lazen wij, bleken zó vruchtbaar dat de kosten van de drooglegging met de eerste de beste oogst al meteen waren terugverdiend. Vandaar misschien dus Kostverloren, was onze voorzichtige conclusie. De kosten gingen verloren in de enorme opbrengsten. Een andere, taalkundig meer correcte verklaring meldde zich later via internet. Gronings chroniqueur Groninganus wees ons er op dat de naam in verschillende bronnen een andere oorsprong kreeg toegedicht. Zo was er de versie waarin juist sprake was van zeer sléchte grond, die zó weinig opleverde dat de kost er verloren ging. Elders werd de naam verklaard uit het feit dat hier in 1701 een afwateringssloot is gegraven die later niet nodig bleek. Het werk was voor niets gedaan, de kosten waren voor niets gemaakt. De kost, kortom, was verloren. Voorts lazen wij bij Groninganus nog dat zijn provincie maar liefst zeven Kostverlorens kent. Zeven. Wanneer we er dan van uitgaan dat deze naam inderdaad duidt op een verlieslatende investering, geeft dat te denken over het financieel inzicht der Groningers. Maar goed, op de wandelkaart vonden wij zelf uiteindelijk nog een alternatieve, wat minder boekhoudkundige verklaring.

Kaart_FWH

Oorzaak en gevolg in de Carel Coenraadpolder

Waarom zou Kostverloren zo heten?
Heeft men daar soms niets te eten?
Eén blik op de kaart
heeft deze kwestie verklaard:
dát heeft Hongerige Wolf op z’n geweten!