Welkom in Westfriesland

De tweede etappe, van Schoorl naar Dirkshorn, gelopen op vrijdag 15 februari 2019

We zijn er een jaartje tussenuit geweest, dus misschien dat het daaraan ligt, maar in Schoorl lopen we als een stelletje beginnelingen in het rond te dwalen op zoek naar hoe het nou toch in vredesnaam verder gaat, na de eerste etappe. We volgen wel pijlen maar gaan gaandeweg twijfelen of het de goede zijn, we komen inderdaad op een vijfsprong maar weten niet of het dezelfde is als die het boekje beschrijft, lopen heen en toch maar weer terug en zo plakken we onbedoeld een paar kilometer doelloos rondjes draaien aan de wandeling vast. Maar wat maakt het uit, het weer is prachtig, het lijkt verdorie wel lente geworden, midden in februari. Het wemelt van de jonge gezinnen met kinderen rond het bezoekerscentrum, terwijl het gewoon een vrijdag is en bij ons weten nog geen vakantie. Moeten al die mensen niet werken, vragen wij ons af, moeten al die kinderen niet naar school? Maar goed.. Wij lopen hier immers ook, op dezelfde gewone vrijdag, onder hetzelfde lentezonnetje, terwijl we er toch nog niet uitzien als pensionado’s, hopen we dan maar dat de andere mensen denken.

raadhuis-schoorl.jpg

In Schoorl zelf komen we als eerste terecht bij een schattig klein raadhuisje. Volgens het opschrift op de met krullen en consoles versierde topgevel is het van 1601. Het staat naast de hervormde kerk, die van 1783 is. Het raadhuisje, lezen we op internet, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal, met een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door nieuwbouw werd vervangen. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad want wij lezen dat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd. In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders.

P1030526

Verder lopen we met een boogje om Schoorl heen, steken bij Schoorldam de N9 en het Noordhollandsch Kanaal over en betreden dan via de Westfriese Omringdijk de uitgestrekte platheid van de drie Frieslanden die onze route de komende tijd doorkruist. Hoog bovenop de dijk krijgen we daar een aardig voorproefje van, weidse vergezichten van weilanden, akkers en sloten met om de zoveel tijd een bescheiden kerktorentje aan de einder. We lopen er maar een klein stukje van en zeker niet het interessantste maar de Westfriese Omringdijk is 126 km lang en doet precies wat de naam al zegt, hij omringt heel West Friesland. Van Noordzee naar Zuiderzee en weer terug. Een bijzonder idee. Ook om je voor te stellen dat aan de linkerkant van deze dijk de zee dus eeuwenlang een meer dan serieuze bedreiging is geweest, het ziet er nu zo vredig uit allemaal en de zee lijkt erg ver weg. Maar ook: zó hoog is die dijk nou ook weer niet. Hoe veilig zou je je erachter voelen wanneer de golven er bij storm en tegenweer tegenaan zouden beuken? Het kwam in zijn lange geschiedenis dan ook regelmatig voor dat de omringdijk doorbrak en het binnenkolkend zeewater enorme kraters sloeg in het achterliggend land. De ronde meren die daardoor ontstonden waren zo diep dat het makkelijker was de dijk er bij reparatie maar omheen te leggen. Deze zogenaamde wielen met de zich eromheen kronkelende dijk bieden vandaag een betoverende en schilderachtige aanblik, maar ze getuigen ook van de drama’s die zich er in vroeger tijden hebben afgespeeld.

P1030499

Bij aanvang van het Groot Frieslandpad hebben wij ons een goed voornemen gemaakt: al wandelend ontfermen wij ons over plastic zwerfafval in berm en beemd. We rapen het op, we nemen het mee en gooien het thuis in de plastic bak. Iemand moet het doen anders ligt het er voor eeuwig tenslotte. Dan maar gutmenschen, dan maar klimaatdrammers. Ook vandaag hebben we er speciaal een tasje voor meegenomen en wanneer we de dijk even verlaten om een stukje langs het Noordhollandsch Kanaal te lopen zien we de eerste oogst al liggen. Stukken plastic, bierblikjes, plastic flessen.. welgemoed beginnen we te rapen, maar al gauw slaat de twijfel toe. We lopen hier achter een camping met vaste huisjes langs, waar de grijze mistroostigheid overigens als een natte dweil overheen hangt, en het lijkt erop dat deze grasstrook met bosschage tussen kanaal en camping als hangplek fungeert. Hier kunnen we aan het rapen blijven. Straks lopen we de rest van de wandeling met ieder twee extra tassen vol andermans plastic schillen en dozen. Heel even komen we in gewetensnood maar we besluiten toch dat dit te gek is. Zelfs van gutmenschen kun je dit niet verwachten. We nemen de ergste stukken mee, maar verder moet de camping zelf maar even de handen uit de mouwen steken.

P1030564

Weer terug op de dijk lopen we door Krabbendam, een vriendelijk dorpje dat aan weerszijden tegen het dijklichaam opkruipt, en zien dan dat datzelfde dijklichaam aan de andere kant van Krabbendam opeens een heel stuk hoger is. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de duinen van Schoorl, de hoogste duinen van het land, die verderop gelegen overgaan in de Hondsbossche zeewering, een notoire zwakke plek in de kustverdediging. Hier kon de omringdijk wel een extraatje gebruiken.
Dan staat daar Huis te Nuwendoorn. Of wat er voor door moet gaan. Een voormalige dwangburcht van Floris de Vijfde. Gebouwd, verwoest en weer opgebouwd in de 13e eeuw, en in de 14e eeuw zonder verklaring van de aardbodem verdwenen. Op de fundamenten die in onze eigen tijd werden teruggevonden en hersteld, is een paar jaar geleden een soort van ruïne gebouwd, met nep afgebrokkelde muren van moderne materialen, tot zelfs van die tuincentrum stenen in betonijzerkooien aan toe, hoe treurig wil je het hebben? De toren, het minst erge onderdeel, wordt gesuggereerd door een stalen skelet met dito trappen en fungeert in het seizoen als uitzichttoren. Voor toeristen. Als die eropaf komen tenminste.

P1030568

Terwijl wij dit allemaal zo staan te overwegen en de term Vinex-ruïne uit onze mouw schudden, stopt er een auto op tien meter afstand. Wat een beetje vreemd is omdat we aan het eind van een stoffig en doodlopend landweggetje staan. Het is een donkere auto, met donkere ruiten. Er stapt een jongeman uit, met een koffer. Verborgen achter de auto buigt de jongeman zich over de koffer, de koffer gaat open. Het is niet het soort koffer waar je een weekendje mee gaat logeren bij vrienden. Wat de jongen aan het doen is kunnen we niet zien, maar hij ís iets aan het doen. Misschien kijken we teveel Homeland, maar zo’n koffer is het wel. Het wordt tijd om verder te wandelen, besluiten we conflictvermijdend, al moeten we dan wel langs de auto, en de jongeman. Uiteraard loopt het goed af, de jongeman staat een peperdure drone startklaar te maken en geeft ons maar al te graag een demonstratie. Op zijn schermpje kunnen we zien wat de drone aan beelden doorgeeft. Zo zien we onszelf een beetje sullig omhoog staan te kijken, met onze rugzakjes om. Maar als de drone dan echt het luchtruim kiest en we hem nog slechts als een onhoorbaar stipje aan het zwerk zien staan, zien we Huis te Nuwendoorn op het schermpje vanuit de lucht, we zien de Westfriese Omringdijk door het landschap kronkelen, we zien de wijde omgeving, haarscherp. Het is even verbazingwekkend als verontrustend.

P1030593

De wandeling gaat verder door Eenigenburg, een charmant dorp waar de tijd minder vat op lijkt te hebben. Dat het op een aantal terpen is gebouwd, is vanuit de verte nog goed te zien. Op één ervan staat het kerkje, met een piepklein kerkhofje ernaast. We lopen er even naar toe, al hoeft dat niet van het routeboekje. Het is een schattig kerkje met een houten torentje en het is van 1792. Ene Dirk Pronk legde de eerste steen, op zijn zesde. De lange oprijlaan herinner ik me statig omzoomd van hoge bomen, maar die zijn inmiddels van voor tot achter vervangen door ijle sprietjes waarvan het moeilijk is voor te stellen dat het ooit weer hoge bomen zullen worden.
Als we Eenigenburg weer verlaten biedt het boekje ons twee mogelijke routes. Op de gok kiezen we er één maar voor we goed en wel op weg zijn wordt ons een halt toegeroepen door een meneer die in zijn tuin snoeiafval staat klein te knippen. De meneer is tanig van gestalte, draagt een oorring, een baardje van een week en doet wat denken aan een piraat. Of een kunstenaar. Dat we de andere route moeten nemen, adviseert hij ons vriendelijk doch dringend, omdat die veel leuker is. De route die wij nu gekozen hebben is saai, aldus de meneer. En zo keren wij terug op onze schreden, want ja.. ga daar maar eens tegenin. Spijt hebben we er niet van gekregen trouwens want het was een aardig ommetje langs een zeer onaangeharkt stukje niemandsland, en daar houden wij wel van.

P1030630

Het laatste stuk voert ons nog door Stroet, een lintdorp dat wij in de breedte passeren, na 357 stappen zijn we er al weer uit. Vlak voor Groenveld, in het zicht van de molen, buigen we naar rechts af om dwars door de weilanden en over grasdijkjes, langs de golfbaan Dirkshorn te bereiken. Vertrekpunt voor de volgende etappe.

Bekijk eventueel ook het ene fotoalbum van deze etappe, en het andere.

Advertisements

Het geheim van de Alexanderflat ontsluierd

Kunst onderweg

alexanderflat

In Bergen aan zee werden wij op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein dus zomaar voor een raadsel geplaatst. De zijgevel van de Alexanderflat, die daar staat, is vier verdiepingen hoog opgemetseld uit onregelmatig gevormde basaltblokken, zoals die ook worden gebruikt om golfbrekers mee op te werpen. En uit de speelse structuur die dat oplevert, steekt heel bescheiden een schijnbaar achteloos meegemetseld reliëf naar voren. Twee vrolijke figuren zien we, waarvan er één op de handen staat. Spelende kinderen, nemen wij aan, een populair thema immers, in de vijftiger jaren, toen je nog op straat spelende kinderen had. Het is zo onnadrukkelijk aangebracht dat je er ook zomaar aan voorbij zou kunnen lopen, zonder het op te merken. Wij hadden dat bijna gedaan. Het is dat de zon scheen en voor het schaduwrandje zorgde dat het reliëf verraadde.

alexanderflat

Maar nu het raadsel, waar wij voor werden geplaatst. Het bleek dat nergens een aanwijzing viel te vinden over wie de kunstenaar zou zijn die dit gemaakt had. Niet op een bordje ter plekke en ook niet weer thuis op internet. We achterhaalden nog net dat de Alexanderflat in 1958 werd gebouwd, het reliëf leek verder niet te bestaan. Ja toch, op een site van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd het ergens in een hoekje achteraf vermeld. Maar ook niet meer dan dat. Het reliëf wás er, het bestond, het was niet onopgemerkt gebleven.. maar wie het gemaakt had wist men op het ministerie ook niet te vertellen. Sterker nog, eenieder die meer informatie had over het werk of zijn maker werd verzocht die met het ministerie te delen.
Goed, wij hebben er inmiddels ons eigen verhaal omheen gebreid, ook altijd leuk, maar het zit ons toch niet lekker. We besluiten op onderzoek te gaan.
Te beginnen bij de Dorpsraad van Bergen aan zee. Daar lazen we al dat de Alexanderflat van 1958 is en destijds het begin van het einde betekende voor de eerder nagestreefde kleinschaligheid voor het dorp.. allicht dat we daar iets te weten komen. En inderdaad komt bij navraag al vrij snel in elk geval de naam van de architect van de flat naar boven: Gert Boon (1921 – 2009). Telg uit een architectengeslacht die er uitgesproken tot rigide ideeën over functionaliteit op na houdt, medeoprichter is van de Forumgroep en zich ontwikkelt tot een exponent van het zogenoemde structuralisme, een typisch Nederlandse stroming in de architectuur die zich afzet tegen de grootschaligheid en eenvormigheid van het dan heersende Nieuwe Bouwen en juist de menselijke maat als leidraad wil nemen. In een publicatie van het Nieuwe Instituut in Rotterdam wordt Boon in retrospectief omschreven als ‘een wat merkwaardige figuur op de achtergrond, die er ondanks zijn vooruitstrevende ideeën niet in is geslaagd zijn stempel op de Nederlandse architectuur te drukken.’ Boon vestigt zich na zijn studie in 1953 als zelfstandig architect in Amsterdam en de Alexanderflat, waarvan het ontwerp van 1955 stamt, zal dus één van de eerste opdrachten zijn geweest. In dezelfde periode ontwerpt en realiseert hij de kubuswoningen in de duinstrook tegenover de Alexanderflat. Over het reliëf wordt nergens gesproken. Het zou kunnen dat Gert Boon het ontwerp zelf heeft gemaakt, al lijkt ons dat, afgezet tegen zijn streng geordende, geometrische stijl, onwaarschijnlijk.

boon_n03

Gert Boon, architect van de Alexanderflat.

In afwachting van verdere berichten zoeken wij het hogerop en wenden ons tot de gemeente Bergen. Die ons per ommegaande niet kan helpen omdat men het niet weet. Omdat het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie. En men het dus ook niet hóeft te weten. Waaróm het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie en waar het dan wél onderdeel van uit maakt, blijft onvermeld. We worden doorverwezen naar het Regionaal Archief in Alkmaar.
Daar valt onze vraag gelukkig in vruchtbaarder aarde en wordt ons zelfs verzocht eventuele verdere bevindingen te delen. Via een door het archief geraadpleegde lokale historicus worden wij vervolgens in contact gebracht met de secretaris van de werkgroep Historisch Onderzoek van de Historische Vereniging Bergen die op zijn beurt weer beschikt over een artikel over de Alexanderflat dat echter nooit werd afgemaakt omdat de auteur ervan voortijdig overleed en dat dus ook nooit werd gepubliceerd maar waarin wel de maker van het wandreliëf dan eindelijk bij naam wordt genoemd. Het is Henk van den Idsert (1921 – 1993). Bij ons roept die naam geen herkenning op maar nader onderzoek wijst uit dat hij in kunstenaarsdorp Bergen geen onbekende is. Sterker nog, mijn eigen schoonvader, die in Bergen woont, herinnert zich hem als een heel prettige man. Heeft zelfs een klein bronzen beeldje van hem op de vensterbank staan. Maar dit terzijde.

P1050947-225x300

Henk van den Idsert is van vóór de opkomst van internet, hij is er maar mondjesmaat te vinden. Dit is een geschilderd zelfportret.

Het is een veelzijdig kunstenaar, Henk van den Idsert, die zich in veel technieken weet uit te drukken. Schilder, tekenaar, aquarellist, graficus, beeldhouwer. En hij maakte mozaïeken, dus. Studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam en is daarna in de leer geweest bij onder meer Matthieu Wiegman en Ossip Zadkine. Hij wordt gerekend tot de latere generatie van de befaamde Bergense School, een zich rond het naamgevend dorp afspelende stroming van expressionistische kunstenaars met kubistische invloeden. Als beeldhouwer staat Van den Idsert bekend om zijn weinig gedetailleerde mens- en dierfiguren. Hij hakte direct in hout of steen en liet zich leiden door de vorm en de eigenschappen van het materiaal. Dat laatste zien we in elk geval terug in het wandreliëf in Bergen aan zee, waar de voorstelling als vanzelf lijkt te ontstaan uit de vorm en de structuur van de gemetselde basaltblokken. Bijzonder hoe uit zulk grof materiaal toch zo’n bescheiden, haast subtiel beeld kan worden gevormd.
Een interessante vraag die nu opkomt maar waarschijnlijk onbeantwoord blijft is of deze twee mannen, Gert Boon en Henk van den Idsert, leeftijdgenoten, elkaar kenden. En was het de architect die bedacht dat de zijgevels uit basaltblokken moesten worden gemetseld en heeft de kunstenaar vanuit dat gegeven zijn ontwerp gemaakt? Of heeft de kunstenaar de architect aan het idee van basaltblokken geholpen?

van den idsert

Het onvoltooide beeld van Henk van den Idsert in de tuin van museum Kranenburgh in Bergen.

Ander beeldhouwwerk van Van den Idsert is op verschillende plekken te zien, zeker in Bergen. Aan de Landweg staat daar De Amazones, bij Museum Kranenburgh De Onvoltooide, in het bijbehorend beeldenbos nog een aantal, en aan de Kerkelaan is een beeldentuin met veertig van zijn werken ingericht, al zijn we er niet honderd procent zeker van dat die nog steeds bestaat.
Rest ons nog onze burgerplicht te vervullen en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op de hoogte te brengen van onze bevindingen.

Jan van Scorel

Voor het voetlicht

Op onze doorreis plaatsen we een belangrijk man of vrouw van elk dorp of stad op een voetstuk; iemand die tot heden onopgemerkt bleef of in de vergetelheid is geraakt. Vandaag praat ik bij met Jan van Scorel.

Tja dat was me wat. Ik ben hier in Schoorl geboren, mijn vader was de dorpspastoor. Ik was dus een onwettig kind. Het was een schande. Ik denk dat ze me daarom naar de Latijnse school in Alkmaar hebben gestuurd. Opgeruimd staat netjes. Ik ging daarna in de leer bij kunstschilder Cornelis Willemsz in Haarlem, vertrok daarna naar Amsterdam en eindigde in Utrecht.  In 1518 had ik het wel gezien in Nederland en ging ik op reis. Ik ging naar Duitsland, waar ik in Neurenberg Albrecht Dürer ontmoette. Die man, daar kon ik nog wat van leren. Ik reisde verder naar Venetië, Palestina, Bethlehem, Jeruzalem. Onderweg maakte ik schetsen. In Rome werd ik benoemd tot opzichter van de pauselijke kunstcollecties in het Belvédère. Het was een heerlijke tijd. Ik woonde in een pauselijk appartement en leidde een kunstzinnig leven, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb in die tijd zelfs nog een paar schilderijtjes van de paus geschilderd. Toen de paus overleed, keerde ik terug naar Nederland.

In 1528 werd ik benoemd tot kanunnik van de Mariakerk in Utrecht, waarmee ik een voornaam geestelijk ambt bekleedde. Ik leefde samen met Agatha van Schoonhoven, en wij kregen vier zonen en twee dochters. Mijn taken als kanunnik liepen uiteen van het beheren van landgoederen tot het aankopen van wijnen voor het kapittel. Voor de Mariakerk ontwierp ik onder meer een oksaal en enkele gebrandschilderde ramen.
Dankzij mijn goede contacten en als gevolg van mijn missies namens het kapittel ontving ik enkele opdrachten voor grote altaarstukken. Ik schilderde  drie veelluiken voor de abdij in het Henegouwse Marchiennes.  Ik schilderde een drieluik voor de Grote Kerk van Breda en in 1550 volgde een opdracht voor de Nieuwe Kerk te Delft. Eervolle opdrachten waren de decoratie en organisatie van de intochten in Utrecht van keizer Karel V in 1540 en van Filips II in 1549. In 1550 nam ik deel aan de restauratie van het veelluik met het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck te Gent.
Veel van mijn schilderijen kun je nog bezichtigen. Er hangt werk van mij in onder andere het Rijks en bij Boymans. Nee, ik was niet zomaar iemand. Ik word gezien als een belangrijk vertegenwoordiger van de renaissance in de Lage Landen.  Dat had je niet gedacht hè?

Jan van Scorel (Schoorl, 1 augustus 1495 – Utrecht, 6 december 1562)

Blik in het blikveld

Plasticjutters

Het is heel gemakkelijk om je ogen tijdens een wandeling op ooghoogte te houden. Voor plasticjutten, moet je echter je blikveld verruimen. Bermen en greppels blijken stortplaatsen van rommel. Zo liepen wij langs het Noordhollands Kanaal en passeerden de achterzijde van een camping. Nou, daar wordt flink gefeest. Maar opruimen, ho maar.  Dat hebben wij maar even gedaan. En omdat blik ook gerecycled wordt, namen we dat en passant ook mee. We raapten niet alles op, want we wilden voor donker thuis zijn. Ook verderop de route hebben we ons ontfermd over grote stukken plastic. Goed bezig, al zeg ik het zelf.

 

Van Schoorl naar Dirkshorn

Fotoalbum

P1030571

De lente van 2019 begon al half februari, zullen we later zeggen, als we oud zijn. Wij liepen vrijdag de 15e de tweede etappe van het Groot Frieslandpad en waren er getuige van. Van Schoorl naar Dirkshorn ging het, onder een stralend blauwe hemel bij hemelse temperaturen. Waar we kwamen waren de mensen opgetogen naar buiten getrokken, om te wandelen, te fietsen of in de tuin te werken. Of gewoon maar wat in het zonnetje te zitten, want dat kon gewoon. We liepen een stukje over de Westfriese Omringdijk, door Krabbendam en Eenigenburg, we zagen Stroet en Groenveld en eindigden in Dirkshorn.
Bekijk gerust, in afwachting van verdere berichten, alvast het fotoalbum.
En omdat we met z’n tweeën lopen, is er ook een tweede fotoalbum.

Het geheim van de Alexanderflat

Kunst onderweg

Op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein in Bergen aan zee staat sinds 1958 de Alexanderflat. De bouw ervan is de geschiedenis ingegaan als het definitieve einde van de blijkbaar ooit nagestreefde kleinschaligheid voor Bergen aan zee, en wordt genoemd als één van de oorzaken dat er nooit echt een centrum is ontstaan, waardoor het dorp een ongestructureerd en rommelig karakter kreeg. Ik praat hier de Dorpsraad na, dat spreekt. De flat telt vier verdiepingen met vakantieappartementen en is er één uit twee of misschien wel meer dozijn. De enige reden het er hier over te hebben is de zijgevel.
De flat lijkt als door twee boekensteunen te worden bijeengehouden door de zijgevels, opgemetseld uit basaltblokken zoals die ook gebruikt worden om golfbrekers mee op te werpen. Een knipoog van de architect allicht naar de op steenworp afstand liggende zee. Een idee dat aardig uitpakt want doordat de basaltblokken onregelmatig van vorm en grootte zijn, ontstaat er een speels metselwerk dat om vele middelpunten lijkt rond te draaien. Gelijk de zee rond een golfbreker kan doen.

IMG_1269

De zijgevel aan de kant van de Zeeweg blijkt bovendien, bij beter kijken, voorzien van een wandreliëf. Er worden twee spelende of dansende figuren uitgebeeld, kinderen misschien. Eén staat er op de handen, de ander staat ernaast te juichen of te zwaaien of anderszins. Je moet inderdaad echt beter kijken anders zie je ze zo over het hoofd, de figuren zijn bijna onmerkbaar in het patroon van de gevel meegemetseld, ze steken alleen iets naar voren, de schaduw verraadt ze. Maar alleen de schaduw. Een bordje met nadere inlichtingen over maker, opdrachtgever of jaar van ontstaan is nergens te vinden, al lopen we er een rondje voor om de flat.
Op internet zijn de figuren zelfs helemaal onopgemerkt gebleven. Nergens is een schaduwrandje van informatie te vinden over wie de kunstenaar is, of zelfs maar de architect van het gebouw. Hoe en waar we ook zoeken, het blijft in nevelen gehuld. Uiteindelijk vinden we een webpagina van de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.. waar ze het ook niet weten. Waar zelfs een oproep gedaan wordt aan eenieder die meer weet over het reliëf en zijn kunstenaar om die kennis te delen.
Tot nader order houden wij het er daarom op dat hier een metselaar aan het werk is geweest, halverwege de jaren vijftig, die eigenlijk een toekomst als kunstenaar voor zichzelf had gewenst maar noodgedwongen in de bouw terecht was gekomen. Er moest brood op de plank tenslotte, hij had een vrouw en twee kinderen thuis. In de bouw was nog altijd werk genoeg, zo kort op de oorlog. Een carrière in de kunst zat er voor hem niet in. Maar hier, op de zijgevel van de Alexanderflat, had hij zijn kans schoon gezien. Al metselend aan de rechter zijgevel had hij gemerkt wat een speels beeld het metselen met de onregelmatig gevormde basaltblokken opleverde. Voor de linker gevel had hij heimelijk besloten zijn fantasie de vrije loop te laten en de wereld te laten zien dat hij meer was dan een metselaar. Hij was dan misschien geen Da Vinci, zijn ambitie was er niet minder om. Bergen was een kunstenaarsdorp, hier zouden ze hem begrijpen. Waarderen misschien zelfs. En zo had hij zijn kinderen vereeuwigd, spelend en dansend in een ter plekke uitgedokterd wandreliëf.

Uiteraard houden wij ons, net als het Ministerie, van harte aanbevolen voor nadere inlichtingen rond dit geheimzinnige kunstwerk.

Een zeehuis vol weeskinderen en bleekneusjes

P1020348

Bij het via de achteruitgang verlaten van Bergen aan zee passeren we het Zeehuis. Een groot en statig, zeer symmetrisch gebouw op de kop van een lange zichtlaan waar je het bij het binnenrijden van Bergen aan zee, aan de andere kant, al ziet liggen. Het Zeehuis, staat er op een wit tableau boven de ingang, weliswaar in kapitalen van een ouderwets lettertype maar iets te armoeiig om origineel te zijn. We lopen er even binnen om de gewenste dagkaart voor het achterliggend duingebied aan te schaffen, zonder er verder veel acht op te slaan. Want ach, hoewel buitengewoon mooi gelegen aan de rand van de duinen in deftig Bergen aan zee, een bijzonder mooi gebouw is het nou ook weer niet per se. Het staat er ook wat verrommeld bij. Met lantaarnpalen, paaltjes, bordjes, heel veel wegwijzers, vuilnisbakken, brievenbus, elektriciteitshuisje. Maar ook met nadrukkelijk niet bijpassende pilaartjes terzijde van het minder fraaie toegangshek, een anachronistische zonwering, te moderne kozijnen, een wel erg karig uitgevallen balkonhek en een bruine, kunststof ingangspartij met ernaast nog een lelijk bord aan de muur. Enfin, dat kon beter.

Bergen aan Zee-zeehuis-1938

De geschiedenis is wellicht bijzonderder. In 1908 werd het gebouwd, als één van de eerste gebouwen in Bergen aan zee, in opdracht van het Burgerweeshuis Amsterdam. Het stond destijds nogal afgezonderd midden in de duinen, erg veel Bergen aan zee was er nog niet. Hier konden grote groepen Amsterdamse weeskinderen de zomer doorbrengen en aansterken, door frisse zeelucht en beweging. Later werd het beheer overgenomen door het Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden, en werd de doelgroep uitgebreid naar de zogenoemde bleekneusjes. Kinderen uit de grote stad die door hun ouders, vaak op doktersadvies, een aantal weken naar de vakantiekolonie werden gebracht, om onder een regime van rust, reinheid en regelmaat wat kleur op de wangen en wat vlees op de botten te krijgen. In het algemeen wat ‘weerstand en eenige beschaving op te doen’. In 1910 werd de kinderkolonie nog uitgebreid met een koloniehuis plus sanatorium voor ziekelijke kinderen, rechts van het Zeehuis; in 1912 met een koloniehuis van de Deutsche Ferienkolonie, links van het Zeehuis; en in 1933 met het bio vakantieoord, dat gevestigd werd in de leegstaande villa op het Russenduin, ver boven het Zeehuis, die nu bekendstaat als Huize Glory. Naar de jaren zestig toe veranderden de sociale omstandigheden, de ideeën over opvoeding en de omgang met kinderen en zo raakten de vakantiekolonies in onbruik. Het laatste bleekneusje vertrok in 1967 uit de villa op het Russenduin. Het Zeehuis was toen al zes jaar in gebruik als natuurvriendenhuis van de Nivon en dat is het vandaag nog steeds.

zeehuis_bergen.jpg(mediaclass-fancybox.c6510c0e15414667d97bb714e21d090f477317ed)

Bij mijn speurtocht naar al deze wijsheid trof ik een filmpje dat een aardig beeld geeft van het reilen en zeilen in het Zeehuis, het dagelijks leven van een bleekneusje op vakantie. Daarvoor was het filmpje ook gemaakt, in 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De titels verontschuldigen zich voor het feit dat het filmpje eigenlijk niet af is doordat het Zeehuis halverwege plotseling moest worden ontruimd vanwege de voormobilisatie. Toch duurt het ruim een half uur, waar dat in onze jachtige tijden hooguit drie minuten had hoeven of mogen zijn. Het is onvoorstelbaar traag, maar wordt daardoor ook bijzonder om naar te kijken omdat je zo inderdaad de tijd hebt je een beeld te vormen van hoe het eraan toeging. Traag, dus. Ik zie vandaag de dag ondenkbare taferelen van kinderen die met tientallen tegelijk rustig en gedisciplineerd tergend lang in de rij staan voor een wasbeurt onder de douche, om ontluisd te worden, om tanden te poetsen. Kinderen die aan lange tafels gezamenlijk met smaak zitten te eten, en die in grote slaapzalen in lange rijen doodstil en kaarsrecht onder de wol liggen te luisteren naar een verhaal dat wordt voorgelezen door iemand in een verpleegstersuniform. Onwillekeurig denk ik terug aan de oorverdovende en zenuwslopende chaos van de meerdaagse schoolreizen van mijn jongens, waar twee docenten en acht ouders maar nauwelijks vat op konden krijgen. Man! Het waren andere tijden, zoveel is duidelijk.

30885910816_bf213c64fe

Toch zijn het ook gewoon kinderen waar ik naar zit te kijken. Kinderen zoals ze vandaag de dag nog altijd rondlopen. Met dezelfde kinderdingen. Dezelfde verlegenheid, dezelfde bravoure, dezelfde vriendschappen. Dezelfde individualiteit ook al. Het is fascinerend om zo een blik te werpen in een voorbij en eigenlijk onbekend verleden dat toch nog zoveel raakvlakken heeft, en ergens ook een soort van vertrouwd aanvoelt. Een vreemd soort nostalgie, dat me vertedert. Maar er is ook de treurig stemmende ondertoon van de wetenschap dat een misschien wel groot aantal van deze kinderen het einde van de oorlog waarschijnlijk niet heeft gehaald. Dat is er ook. Ja, dat is er ook.

Kijk eventueel zelf ook naar het filmpje.

Jonas en de walvis

Kunst onderweg

Als we Bergen aan zee inrijden en het strand naderen, en daarmee het beginpunt van onze wandeling de komende maanden, zien we op de rotonde bij het zeeaquarium een beeld staan. Of beter gezegd, we zien het niet staan. We zoeken een parkeerplekje, we vergewissen ons ervan dat dat gratis is deze tijd van het jaar, we gorden onze rugzakken om, trekken de wandelschoenen aan en gaan op zoek naar een geschikte gelegenheid om de dag te openen met een kop koffie. Zo vergaat het de kunst in de openbare ruimte. Het staat er wel, maar we zien het niet. Niet echt. We geven geld uit aan een museumjaarkaart, of aan entree voor het museum, om daar kennis te nemen van het tentoongestelde, maar de kunst die dagelijks gratis te bezichtigen valt op straten, pleinen en rotondes, daar lopen en rijden we achteloos aan voorbij. Omdat we te druk zijn met iets anders. Dat is jammer denken wij, het staat er niet voor niets tenslotte, en we besluiten ons leven te beteren. Te beginnen met het beeld op de rotonde bij het zeeaquarium in Bergen aan zee.

IMG_1262

Het heet Jonas en de walvis, staat op het bordje in de van kinderhoofdjes gemetselde sokkel, en het is van Nic Jonk (1928 – 1994). Die kennen we wel, die naam. Op onze wandeling langs het Noordhollandpad, vele jaren geleden, passeerden we zijn beeldentuin in Grootschermer. Ook tamelijk achteloos overigens. We denken aan voluptueuze maar tegelijk sierlijke beelden, glimmend zwart, met veel ronde, vaak ook vrouwelijke vormen. Figuratief en toegankelijk. Dat is dit beeld ook. Bij heel slordig en oppervlakkig kijken zou je een soort van boom kunnen zien maar nadere beschouwing levert al snel een menselijke figuur op, in verstrengeling of worsteling met een grote vis. De groep bollen daaronder zal het schuim op de golven van de zee verbeelden.
Jonas en de walvis. Een bekend verhaal, zou je zeggen, maar bij ons is het een beetje een klok en klepel verhaal. Eerlijk gezegd kennen wij het vooral van het oeroud kinderliedje dat onze ouders voor ons zongen: Toen Jonas in de wallevis zat, van je één.. twee.. drie! Daarbij werd je dan aan handen en voeten opgetild in de maat tussen je ouders heen en weer geslingerd. Bij drie werd je losgelaten en plonsde je in het zwembad. Net als bij veel andere kinderliedjes had je geen flauw idee waar het over ging. Kinderen slikken veel voor zoete koek. Het blijkt dus een bijbelverhaal te zijn. Noem ons onwetend zo u wilt, wij wisten het inderdaad niet. Wij zijn niet erg bekend met de bijbel. Dus.

jona bijbels

Jonas, of Jona, was een profeet die van God de opdracht kreeg de bevolking van de stad Ninevé, het huidige Mosul in Irak, een ultimatum te stellen. Wanneer zij hun de Heere onwelgevallige manier van leven niet binnen veertig dagen zouden veranderen zou Zijn toorn hen treffen en zou hun stad worden verwoest. Jonas voelde niet zoveel voor deze taak en maakte zich per schip in tegengestelde richting uit de voeten. Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt bij zijn opdrachtgever, we hebben het hier wel over God tenslotte, en die achterhaalde hem met een flinke storm, waarin het schip met man en muis dreigde te vergaan. In een schuldbewuste poging in elk geval de bemanning van het schip van de ondergang te redden besloot Jonas overboord te springen en zijn leven in de golven te offeren. Dat was nou ook weer niet helemaal de bedoeling van God, aan een dode profeet had Hij ook niet veel, en zo kwam het dat Jonas door een grote vis werd opgeslokt en aldus van de verdrinkingsdood gered. Drie dagen en drie nachten zat hij daar opgesloten voor hij door de vis weer werd uitgespuugd. Dat zal de herkomst van het één, twee.. drie! ritueel uit het kinderliedje zijn, vermoeden wij. Jonas, tot inkeer gekomen tijdens zijn eenzame opsluiting, meldde zich alsnog met zijn onheilspellende boodschap bij de inwoners van Ninevé, die het reuze goed opnamen en hun levenswandel welwillend aanpasten, waardoor hun stad werd gespaard. Niet helemaal tot in de eeuwigheid trouwens want vanaf halverwege de 19e eeuw werd de stad al als een ruïne uit het woestijnzand opgegraven en nog onlangs werd uit hoofde van weer een andere God het nodige onwelgevallig cultuurgoed kort en klein geslagen door Islamistische Staat. Ondoorgrondelijk, wat u zegt.

11875517_1660863454195057_1443373746_n
Nic Jonk voor zijn Jonas en de walvis, bij de onthulling van het beeld in 1977, in Bergen aan zee. De foto is afkomstig van het instagramaccount @levengreetennicjonk.

Nic Jonk heeft Jonas niet ín de walvis afgebeeld. Zo letterlijk heeft hij het verhaal kennelijk niet willen nemen. In zijn beeld wordt Jonas door de vis over de golven des doods gedragen en zo in veiligheid gebracht. De vis moeten we dan zien als het symbool van Jezus en het christelijk geloof, zoals je dat wel eens achterop auto’s ziet geplakt. Veilig onderweg met Jezus. Ook Jonks Jonas heeft zijn arm vol vertrouwen om de vis, zijn God, geslagen. Zo heeft de kunstenaar gekozen voor de diepere betekenis van het verhaal.
We lezen dat Nic Jonk, naast zijn eigen leefwereld, graag koos voor bijbelse en mythische taferelen en dat hij, zoekend naar de perfecte uitbeelding ervan, vaak meerdere versies van één tafereel maakte. Zo zijn er acht verschillende versies van Jonas en de walvis bekend, die onder meer te zien zijn in de straten van Amsterdam, Eindhoven, Tilburg, Heerlen, Vlaardingen en in het museum Beelden aan zee in Scheveningen.
Het beeld in Bergen aan zee werd geplaatst in 1977. Aanvankelijk stond het dichter bij strand en zee en had het de branding en de golven als gepaste achtergrond, maar toen het na een storm in 1990 gevaarlijk dicht op het randje van de duinen kwam te staan, werd het verplaatst naar waar het nu staat, op de rotonde bij het zeeaquarium.

Maria van Reenen – Völter

Voor het voetlicht

Een nieuwe rubriek!
Op onze doorreis plaatsen we een belangrijk man of vrouw van elk dorp of stad op een voetstuk; iemand die tot heden onopgemerkt bleef of in de vergetelheid is geraakt.
Vandaag gaan we op visite bij Maria van Reenen – Völter. We drinken thee uit porseleinen kopjes, de oortjes zijn te klein voor onze dikke vingers. Heel deftig steken we onze pinken in de lucht en knabbelen aan onze Wellingtons. Als ik Maria vraag naar haar verbintenis met Bergen aan Zee, vertelt zij:
Ik werd in 1854 geboren in Esslingen am Neckar als Marie Amalie Dorothea Völter. Mijn vader was hoogleraar, zelf werkte ik destijds als publiciste. Ik trouwde met Jacob in 1882. Jacob van Reenen, mijn lieve man van adel, was voorbestemd om zijn vader op te volgen als heer van de heerlijkheid Bergen. Jacob’s vader had de heerlijkheid ooit voor 172.000 gulden gekocht. Toen Jacob’s vader overleed in 1883, was Jacob te jong om hem op te volgen als burgemeester. In 1885 was het zover, mijn Jacob werd eerste burger van Bergen, met alle kansen van dien. Ik droomde van een Bergen aan Zee, ik houd van reuring en gezelligheid.
Het gedeelte van Bergen dat aan zee lag was, in tegenstelling tot andere badplaatsen, geen vissersdorp met aanloop en levendigheid. Bergen aan Zee bestond louter uit een paar schamele woningen en boerenbedrijven in de duinen. Ik zei tegen Jacob: ‘laten wij met de opbrengsten van de landbouwnederzettingen op ons grondgebied, Bergen aan Zee stichten’. Aldus geschiedde. Het karrenpad werd vanaf Bergen doorgetrokken naar zee, er kwam dat fijne café, Café Maurits en later werd ook de tramlijn doorgetrokken. Ik vond het direct al een aantrekkelijke plaats voor kunstenaars; zo enorm inspirerend, duin, zee en lucht. En buitendien ben ik zelf dol op kunst. Ik heb dat in 1904 onderstreept met het publiceren van ‘De heerlijkheid Bergen in woord en beeld’, waarmee ik Bergen op de kaart zette als een aantrekkelijke plaats voor kunstenaars om er te wonen en te werken. Een kunstenaarsdorp was geboren!
Tja en toen kwam die nare oorlog. En wat doe je dan. Ik zorgde voor de maaltijdverstrekking aan ondervoede kinderen en toen de oorlog afgelopen was stichtte ik een kerkje in Bergen aan Zee vanuit oecumenische opvatting, niet gebonden aan een kerkgenootschap en bedoeld als een appel voor duurzame vrede in Europa. Diverse kunstenaars, die in Bergen een toevluchtsoord hadden gevonden, verleenden hun medewerking bij de vormgeving. Het kerkje werd na mijn overlijden in 1925 ondergebracht in de Marie Amalie Dorothea Stichting.
Trouwens wat ik nog vergeten ben. Ik heb de huishoud- en industrieschool in Alkmaar opgericht. Zes jaar was ik er onbetaald directrice en ik gaf zelfs les. Enig vond ik dat. Daarnaast hield ik ook op andere plaatsen in Nederland een pleidooi voor het oprichten van huishoudscholen. Gelukkig had ik zelf personeel om mij te helpen bij de opvoeding van onze eigen kinderen.
Wist u trouwens dat ik het liedje van den Bergenaar schreef? Zelf herinner ik mij helaas alleen de laatste strofe:

“Heil Bergen, heil het dorpje klein,
Daar aan der duinen rand;
Zoo lief’lijk, zoo vol zonneschijn,
Is geen in ‘t heele land.”

Marie Amalie Dorothea van Reenen- Völter (Esslingen am Neckar, 5 maart 1854 – Bergen, 10 juli 1925)