Van Tjamsweer naar Termunterzijl


Een fotoverslag van de etappe Tjamsweer Termunterzijl zoals we die liepen op zaterdag 1 december 2017, een zonnige dag met spectaculaire luchten.

Advertisements

Industriële vergezichten

De etappe van Tjamsweer naar Termunterzijl liepen wij op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02966

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3715

Over de kruin van de zeewering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3771

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen.

IMG_3762

Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machineriën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

IMG_3800

Paniek in Arwerd

een wandellimerick

DSC00989

Van regels en uitzonderingen. Al vanaf Stavoren beweren we bij iedere plaats, stad of dorp dat zich altijd wel een aanleiding aandient voor onze wandellimerick. Dat ons altijd wel iets opvalt of te binnen schiet. Dat er altijd wel iets gebeurt dat ons op weg helpt. In de regel is dat ook zo. Maar wat is een regel zonder uitzonderingen? Al is het er maar één. Het enige dat ons in Arwerd opviel was dat er niets was dat ons opviel. Er gebeurde niets. Er was verder eigenlijk ook niets. Alleen dat bord, met die naam. Met geschokt zelfvertrouwen wandelden wij verder, met ons mond vol tanden.

Paniek in Arwerd

Wij hebben, in het licht van onze wandellimericks,
al menig heidens rijmkarweitje gefikst,
totdat het in Arwerd
zelfs ons wat te bar werd..
op Arwerd rijmt namelijk echt helemaal niks.

Puppy love

puppy love tZandt

Een nieuwe aanwinst in onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, waarin wij voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit, waarover maar steeds zoveel te doen is. Langs het Nederlands Kustpad treffen wij hem aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. In borders, op gazons. Of, zoals hier in ‘t Zandt, in de rotstuin.

Brand in ‘t Zandt

een wandellimerick

Wandelend langs het Nederlands Kustpad maken wij voor iedere stad waar we door lopen een limerick. Een wandellimerick. Ieder stadje, dorpje, buurtschap of gehucht krijgt er een van ons. Gratis en voor niks. Het is ons onbaatzuchtig cadeau aan de wereld, die zo af en toe best een opkikkertje kan gebruiken. Een aanleiding vinden we in de meest uiteenlopende dingen. Er valt ons altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat. Een ontmoeting, een gesprekje, een passant. Een uitzicht, een aanzicht of een inzicht.

DSC00933

Voor ’t Zandt beschikten wij over wat voorkennis. Eén van ons wist zich namelijk nog te herinneren dat dit dorp enige tijd werd geteisterd door een pyromaan. De pyromaan van ’t Zandt, zoals hij uiteraard al snel werd genoemd. Die in 2007, zo hebben we nagezocht, een hele reeks branden stichtte maar ondanks de ruime inzet van politie en zelfs het leger lange tijd onvindbaar bleef, uiteindelijk toch werd gepakt, tot twee jaar gevangenis werd veroordeeld maar in 2010 alweer gearresteerd werd op verdenking van 17 nieuwe brandstichtingen in de omgeving, met ditmaal een veroordeling tot vijf jaar als gevolg. Deze dubieuze roem was ’t Zandt dus vooruitgesneld. Tja. Verder leek het een heel aardig plaatsje.

Brand in ‘t Zandt

Het zit zo, sprak de burgemeester van ’t Zandt,
een dorp als dat van ons haalt niet snel de krant..
maar onze pyromaan
heeft in alle bladen gestaan
en nu kennen ze ‘t Zandt dus door héél het land.

Walk and don’t look back

walk and don't look back de diek'n

In onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veelbesproken, vaak bediscussieerde en naar verluidt zelfs in het gedrang verkerende vaderlandse culturele identiteit. Voorbeelden die we al wandelend langs het Nederlands Kustpad aantreffen langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Borders en gazons. Zoals bovenstaand tafereel in de Diek’n.

De Middeleeuwen in Oldenzijl

een wandellimerick

Voor iedere stad waar het Nederlands Kustpad ons langs of doorheen voert maken wij een limerick, hadden wij dan bedacht. We begonnen ermee in Stavoren en hebben inmiddels een flinke bundel vol, met deze wandellimericks, want zo hebben we ons zelfverzonnen subgenre genoemd. Voor ieder plaatsje, dorp, buurtschap of gehucht maken we er een. Alles kan daarbij een aanleiding zijn. Er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC00883

In Oldenzijl stuiten wij, als in menig ander Gronings plaatsje, op een middeleeuws kerkje, charmant gelegen op een wierde temidden van al dan niet scheefgezakte grafzerken uit verre verledens. Een uit rood baksteen opgetrokken Romaans gebouwtje met wat siermetselwerk dat volgens de informatie als typisch middeleeuws kan worden aangemerkt. Ook typisch middeleeuws is het detail waar ons boekje ons op wijst: de hagioscoop. In één van de zijgevels zit op ooghoogte een klein, bloemvormig venster gemetseld. Naar binnen toe loopt het gat taps uit, als een trechter. Nu is het afgesloten met glazen ruitjes maar in de Middeleeuwen was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te volgen. Wie van zijn herder en naasten de kerk niet mocht betreden, zoals mensen met lepra, de pest of andere besmettelijke ziektes en overspeligen of andere misdadigers, verzamelde zich buiten de kerk aan deze hagioscoop om zo toch nog een glimp op te vangen van het welbehagen dat binnen gevierd werd. Het warme gemeenschapsgevoel dat religie ons brengt. En wellicht ook van de genade van de Heer, je weet het niet.

De Middeleeuwen in Oldenzijl

Had je in middeleeuws Oldenzyl de builenpest
dan mocht je dus níet in de kerk met de rest..
Door die hagioscoop
zag je dan best nog een hoop
maar je voelde je toch wel een beetje geflest.

Just my luck!

just my luck, uithuizen

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit. we treffen ze aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. In borders en op gazons. Of aan de muur, zoals hier, net buiten Uithuizen.

De Menkemakat in Uithuizen

een wandellimerick

Voor iedere stad waar het Nederlands Kustpad ons door leidt, maken wij al wandelend een limerick. Een wandellimerick, zoals we onze zelfverzonnen light verse vertakking hebben gedoopt. Elk stadje, plaatsje, dorp of gehucht krijgt er één van ons. Gratis en voor niks. Gewoon omdat wij dat leuk vinden. Een aanleiding is meestal snel gevonden. Er valt altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat.
In Uithuizen brachten wij een bezoek aan de Menkemaborg. Dat wil zeggen, met name het Skathoes had deze dag onze belangstelling omdat we er na een lange autorit de wandeling konden beginnen met een koffie.

DSC00860

De Menkemaborg is een grote herenboerderij waarvan de rijke geschiedenis teruggaat tot de veertiende eeuw. In de loop der jaren groeide de eerste stenen bebouwing uit tot een waar paleis, met Engelse tuin en slotgracht en al, en tot aan het begin van de vorige eeuw werd er door de zogenoemde adel gewoond. Inmiddels is het een museum en op vertoon van je museumjaarkaart kun je je vergapen aan de pracht en praal waarmee de dames en heren jonker en jonkvrouw zich in de 17e eeuw zoal omringden. Het Skathoes, ofwel het Schathuis, is nu het restaurant maar was in vroeger tijden de feitelijke boerderij van de borg. Hier waren de stallen – skat is dialect voor vee – en werden de gewassen opgeslagen.
Bij vertrek werden wij uitgelaten door de kat des huizes die ons een kenmerkend rondje rond de benen draaide en daarna met ongeïnteresseerd dédain op één van de terrastafels plaatsnam, met zijn borg pittoresk op de achtergrond.

De Menkemakat in Uithuizen

De kat van de Menkemaborg in Uithuizen
was nogal kieskeurig, bij het vangen van muizen.
Hij zei: het is dan wel het platteland,
maar ik blijf tóch een kat van stand,
dus blief ik uitsluitend: de muis van goeden huize.

Het rijke Groningse verleden

De etappe van Uithuizen naar Tjamsweer liepen we op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen.

DSC00857

Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00870

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00901

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.
Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.

DSC00976

We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.
Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.

Herrie in Doodstil

een wandellimerick

Een limerick voor iedere plaats waar we doorheen lopen, dat is het idee. We begonnen ermee in Stavoren en inmiddels hebben we een flinke bundel vol gerijmd. Wandellimericks, noemen we onze vinding. Een aanleiding is meestal snel gevonden. Die dient zich wel aan. Er valt ons altijd wel iets op, of anders gebeurt er wel iets.

De mooiste plaatsnaam van Nederland

In Doodstil hoefden we al helemaal niet te zoeken natuurlijk, daar stond de aanleiding gewoon op het blauwe bord aan het begin van de bebouwde kom. Wat een naam! Meteen alweer uitgeroepen tot de mooiste plaatsnaam van Nederland, want ja, als de overtreffende trap er niet aan te pas komt deugt het niet in het platste land van Europa. Maar goed. Hoogstwaarschijnlijk zal de uitverkiezing mede zijn gebaseerd op het idee dat het hier, in dit kleine dorpje op het Groningse platteland in het hoge Noorden van Nederland, ook wel héél stil zal zijn. Toepasselijke naam, zal er gedacht zijn, denken wij. En wat fijn dat het in ons drukke landje toch nog ergens zo stil als vroeger kan zijn. Maar dat klopt dus niet, lazen wij. Al doen over de werkelijke herkomst van de naam allerlei wilde verhalen de ronde.
Een til is een brug, in Groningen, om te beginnen. In dit geval over het Boterdiep. Een brug die toeloopt in een punt zodat boten er onderdoor kunnen varen. Het saaiste verhaal is vervolgens dat de til waar het hier over gaat ooit heeft toebehoord aan ene meneer Doede, en dat dat verbasterd is van Doedes Til naar Doodstil. Een andere verklaring is dat de til op de route lag naar het kerkhof en daarom de til des doods, de doodstil zou zijn gaan heten. Er zou ooit een lijkwagen met kist en al door de brug zijn gezakt, waarna men van de doodstil is gaan spreken. Weer een ander zegt dat de til er pas is gekomen nadat een doodskist, op weg naar het kerkhof, bij het per boot oversteken van het Boterdiep, te water raakte en zonk. Een schaatser zou zijn hoofd aan de til hebben gestoten en dood zijn neergevallen. Er zou een gestolen varken onder de brug zijn geslacht, wat in grote stilte zou moeten zijn geschied, om ontdekking te voorkomen.
Kies er maar één uit, zouden wij zeggen.
Ironisch detail dat niet onvermeld mag blijven is nog dat sinds de uitverkiezing tot mooiste plaatsnaam van Nederland Doodstil steeds meer bezoek is gaan krijgen van fietsers en wandelaars die op de foto willen met het beroemdste naambord van Groningen. De borden zijn inmiddels zelfs extra stevig bevestigd omdat ze nogal eens worden meegenomen. Door de brutaalste bezoekers van Doodstil, waarschijnlijk.

Herrie in Doodstil

Een gesmoorde lach mondde uit in een gil,
omdat een wandelaar ook wel eens lachen wil.
Een man met een hond
riep: houd toch je mond!
Voordat jullie hier waren was het écht Doodstil.

Zelfs een ezel in ‘t gemeen..

zelfs een ezel in het gemeen.. uithuizen

Een nieuwe aanwinst in de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, waarin wij voorbeelden verzamelen van onze vaderlandse culturele identiteit zoals wij die aantreffen langs oprijlanen en tuinpaden van het Nederlands Kustpad. Op terrassen, stoepen en stoepjes. Bovenstaand tafereel vonden wij in Uithuizen.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

een wandellimerick

Wandelend langs de noordelijke kusten van het vaderland, over het Nederlands Kustpad, maken wij voor ieder plaatsje waar wij door lopen een limerick. Een wandellimerick, voor ieder dorpje, ieder stadje, buurtschap of gehucht. En alles kan een aanleiding zijn, er gebeurt altijd wel iets, er is altijd wel iets te zien, er valt ons altijd wel iets op.

DSC09730

In Rottum staat het kleinste huisje van Groningen. Misschien wel het kleinste huisje van Groningen, volgens voorzichtiger bronnen. Hoe dan ook, klein is het zeker. Twaalf vierkante meter, hooguit. Het heeft één kamer, een bedstee, een keukentjetje en het secreet stond buiten. Geen badkamer, geen douche. Toch hebben hier gezinnen met kinderen in gewoond. Tot in 1953 aan toe. De laatste bewoonster is nu 80 en woont volgens de laatste berichten in een bejaardenwoning. Om even een tijdsperspectief te schetsen. Niet te geloven. Wij moeten het vandaag delen met één andere wandelaar en dat is feitelijk niet te doen, het past gewoon niet.
In de tuin staat een borstbeeld van Jan Boer, een plaatselijk schrijver en dichter die in dialect publiceerde en waarmee het huisje in verband wordt gebracht. In eerste instantie dachten wij dat het zijn geboortehuis was, maar dat bleek er later juist tegenover te staan. Toen was het misschien later zijn woonhuis, in onze gedachtengang, maar ook dat bleek onjuist. Het hoeske en haar verschillende bewoners hebben een rol gespeeld in veel van zijn verhalen. Dat is de connectie. Het huisje is nu een museumpje en het is ingericht zoals er in 1835 zo ongeveer in werd gewoond, ruim vóór de geboorte van Jan Boer. Het is misschien wel het kleinste museum van Groningen, dat dan weer wel.

Het hoeske van Jan Boer in Rottum

In Rottum doet men nogal stoer
over het hoeske van dialectschrijver Boer:
Het is een attractie van formaat
waar de toerist graag in de rij voor staat..
maar met z’n drieën naar binnen blijkt nog een hele toer.

Met de vlam in de pijp

met de vlam in de pijp

Wij gingen op zoek naar de vaderlandse culturele identiteit, waar zoveel om en over te doen is. Wij waren benieuwd hoe die er uit zou zien. Waar het hem in zou zitten. Langs het Nederlands Kustpad vonden we hem. Daar stond hij. Langs tuinpaden en oprijlanen. In borders en op gazons. Op stoepen, stoepjes en terrassen. We verzamelden talloze voorbeelden in onze fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’. Bovenstaand schouwspel troffen wij in Uithuizen.

Een Griekse vakantie in Breede

een wandellimerick

De wandellimerick. Onze zelfverzonnen loot aan de stam van de light verse. Drs P zou zijn neus er voor ophalen, want die hield niet van limericks. Te simpel misschien, voor hem, of te plat. Maar wij hebben er veel pleijsier van, dus, met alle respect voor wijlen de doctorandus, wij doen as wat wij willen en maken er één voor ieder dorpje, stadje en plaatsje groot of klein waar we doorheen wandelen. De eerste was voor Stavoren en al wandelend hebben we inmiddels een flinke bundel volverzonnen, kijk maar eens in de archieven. Als aanleiding hebben we weinig nodig, het kan zo goed als alles zijn. Er valt ons altijd wel iets op, er gebeurt altijd wel wat.

DSC09670

In Breede zagen wij een kerkje staan. Op een wierde. Het was een Gronings kerkje zoals er veel op ons pad komen. Een eenvoudig, klein kerkje van Romaans model met een dakruiter. Het bijzondere aan dit kerkje was niet alleen dat het zo goed als óp een camping stond, maar ook dat het rondom helwit was afgestuct en een felrood koepeltje boven de klok had staan. Twee felrode luikjes hoog in de achtergevel, om het wit nog wat te benadrukken. Het zag er al met al wat onGronings uit. Sterker nog, zo afstekend tegen de blauwe hemel deed het bepaald zuid Europees aan. En wij stelden ons zo voor dat je op de camping van Breede in Groningen ’s ochtends je tentje openritst, op een zonnige zomerochtend, en je heel even op een verre bestemming als Griekenland waant.

Een Griekse vakantie in Breede

Wie voor een reis naar Kreta niet genoeg heeft te besteden
kan zich altijd nog melden op de camping van Breede,
daar de belendende kerk
Grieks wit afsteekt tegen ‘t zwerk..
Zo wordt tevens de file naar het Zuiden vermeden.

Museumbezoek in Warffum

een wandellimerick

Van ieder stadje waar we langslopen, op onze tocht langs de kusten van noordelijk Nederland, maken we een limerick. Ieder plaatsje, dorpje, buurtschap of gehucht krijgt er éen van ons. Gratis en voor niks. Puur voor ons eigen pleysier. Een wandellimerick, zoals wij onze zelf uitgevonden loot aan de stam van de light verse hebben gedoopt. Aanleidingen dienen zich in de regel vanzelf wel aan. Er is altijd wel iets dat ons opvalt. En anders gebeurt er wel iets, of juist niets. We hebben een ontmoeting of een gesprekje, we zien een beeld, een vreemde vogel, een straatnaam.. alles kan.
In Warffum belanden wij op het terras van openluchtmuseum het Hoogeland, het is heerlijk weer. In twintig oude gebouwen, vertelt ons de website, wordt hier het verleden van het gebied, dat het Hoge Land heet, levend gehouden voor generaties die komen. Er zijn woonkamers, slaapkamers en werkplaatsen ingericht zoals ze er honderd jaar geleden uitgezien moeten hebben. Alsof de bewoner net even naar het secreet is en elk moment weer binnen kan komen lopen, aldus nog altijd de website van het museum. De bezoeker krijgt de kans het onthaaste leven uit vroeger tijden op te snuiven, het goede leven zonder smartphone, beeldscherm of magnetron.
Daar zit een zwaar geromantiseerd luchtje aan, zou je ook kunnen denken, als je het een beetje gehad zou hebben met die eeuwige verheerlijking van oudHollandsche vroeger was alles beter normen en waarden nostalgie. Het onthaaste leven zonder gezondheidszorg, onderwijs voor iedereen, sociale voorzieningen en vrouwenstemrecht, zou je er ook kunnen opsnuiven, als je cynisch wilde zijn. Het goede leven van uitbuiting, bittere armoe en kinderarbeid. Een levensverwachting van amper 45 jaar, kom er nog eens om.
Maar goed, het is mooi weer en daar willen we het helemaal niet over hebben. Bovendien komen wij niet eens toe aan een bezoek van het museum als we ook nog een etappe uit willen lopen. Het is kiezen of delen, op zo’n dag. En zo komen we niet verder dan het terras van het museum en kunnen we helemaal nergens over meepraten. Het enige verleden dat we proeven is de poffert met kaneelroom. Een aanrader.

DSC09683

Museumbezoek in Warffum

In Warffum zette men een museum op poten
waarin de geschiedenis van ’t Hoge Land wordt ontsloten..
Helaas hebben wij
van alle erfgoed op rij
alleen de poffert met kaneelroom genoten.

De drummer van de band

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze vaderlandse culturele identiteit, waar zo vaak zo veel om te doen is. We treffen ze aan langs oprijlanen en tuinpaden. Op stoepen, stoepjes en terrassen. Op gazons, in perken en borders. Of ingemetseld in de muur, zoals dit voorbeeld, dat we in Warffum tegenkwamen. Het deed ons aan Loesje denken. Loesje, met dat leuke bloesje.. het snoesje van de drummer van de band. Over vaderlandse culturele identiteit gesproken..

de drummer van de band

Ter kerke in Baflo

een wandellimerick

DSC09646

Een limerick voor elke plaats waar we door lopen, langs het Nederlands Kustpad, dat is het idee. Ieder stadje, ieder dorp, ieder buurtschap of gehucht. We begonnen ermee in Hindeloopen, daar drong de eerste zich aan ons op. Sindsdien schreven we een kloeke bundel vol en het einde is nog niet in zicht want we beleven er zelf veel pleizier aan. Wandellimericks, noemen wij onze zelfverzonnen loot aan de boom van de light verse. Aanleidingen hoeven we vaak niet te zoeken, die dienen zich meestal zelf wel aan. Er is altijd wel iets dat gebeurt, er is altijd wel iets dat ons opvalt.
In Baflo trof ons de kerk. Wij troffen het kerkje, hoog op zijn wierde. Een middeleeuws kerkje was het, met, opvallend, een losstaande toren. De buitenmuren van het kerkje verrieden een roerig bestaan. Een lappendeken van metselwerk uit verschillende tijden, hier was het nodige aan aangepast en gerestaureerd. Gevelstenen getuigden in elk geval van opknapbeurten in 1656 en 1808.
Wij wilden juist aan een snel rondje om deze kerk beginnen, de camera in de aanslag, toen de voordeur openging en er een mevrouw naar buiten kwam. Het was duidelijk dat ze de boel eigenlijk meteen weer af wilde sluiten, op weg naar huis allicht, maar toen ze ons zag, vroeg ze uitnodigend of wij misschien binnen wilden kijken. Zo werd het voor ons een buitenkansje waar we graag op in gingen. De mevrouw maakte zich bekend als vrijwilliger van het kerkje. Aan de deur van het kerkje hing een bordje met een telefoonnummer dat je kon bellen, wanneer je de kerk wilde bezichtigen. Dat telefoonnummer was zij. Op ons navragen vertelde zij dat ze niet zo vaak werd gebeld, maar dat als ze gebeld werd ze bijna altijd meteen wel kwam, tenzij het echt niet kon. Ze deed het graag. Gebruikte nooit een smoes, had nooit geen zin om te komen.

Ter kerke in Baflo

In Baflo vonden wij de deur van de kerk van ’t slot
en ontmoetten daarachter de sleutelbewaarster van God.
Zij bekende terstond
hoe fíjn zij dit vond,
want anders, tenslotte, stond ze hier voor Piet Snot.

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

De etappe van Baflo naar Uithuizen liepen we op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09637

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.

DSC09639

We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.

DSC09650

Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.
Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09696

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.

 

De vistrap Abelstok

een wandellimerick

DSC08731

Goed, normaalgesproken maken we een wandellimerick voor een plaatsje waar we door lopen, op onze wandeling langs het Nederlands Kustpad. Een dorpje, een stadje, een buurtschap, een gehucht. Dat is de regel van het genre. Maar wat is een regel zonder uitzondering? En bovendien, het is light verse, dus dat kan wat hebben.
Ergens tussen Warfhuizen en Mensingeweer treffen we een futuristisch aandoend gebouw aan het water. Een kruispunt van wateren. Het is het gemaal Abelstok. We staan hier op de rand van het gaswinningsgebied en daar heeft men te maken met een zakkende bodem. Het gemaal Abelstok is één van een aantal gemalen die het grondwaterpeil in het gebied aanpassen aan de dalende bodem. Een dalende bodem zorgt voor een hoger grondwaterpeil en dat is niet goed voor de boeren. Zoiets. Het overtollig water wordt dus weggepompt in de Hoornse Vaart. Wij raken hier aan de praat met een meneer met een hondje. De meneer houdt wel van een praatje, en het hondje legt zich daar hijgend bij neer. Het is een warme dag. Over het gemaal weet de meneer te vertellen dat dat is uitgerust met een vistrap. Waarover de vis zich zonder gevaar voor eigen leven langs het gemaal kan verplaatsen. De meneer heeft er nog nooit een vis in gezien. Dus. Aan zijn toon is wel te merken wat hij er van vindt. Een vistrap.. Tss.. Linkse milieugekkies.

De vistrap Abelstok

De overheid raakt nu toch echt op drift,
want zo’n vistrap, mensen, dat is toch geschift?
Het is van de gekke!
Men laat ons verrekken!
Wij vissen, wij eisen een lift!

Alice and the marshmallowfactory

Je komt het tegen op je weg, langs het pad dat je wandelt. Het ís geen kunst, het is niet bedoeld als kunst, het is niet door een kunstenaar gemaakt.. het ligt er gewoon, het staat er gewoon, het is er gewoon.. maar als je er met de juiste ogen naar kijkt.. met de juiste instelling.. dan zou het eigenlijk net zo goed wél kunst kunnen zijn. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Zoals met veel dingen. Ook met kunst. GeenKunst, noemen we deze toevallige, gevonden kunst. Onderstaand beeld vonden wij op weg naar Warfhuizen. We zagen het lang van tevoren al aankomen en keken er nog lang op terug.
Bekijk eventueel ook de nimmer volledige maar immer uitbreidende catalogus.

Alice and the marshmellow factory

Het wierdekerkhof van Maarhuizen

een wandellimerick

DSC08767

Wandelend langs het Nederlands Kustpad bedenken wij voor ieder plaatsje waar we door lopen een limerick. De door onszelf zo genoemde wandellimerick, een nieuwe loot aan de stam van de light verse. Ieder stadje, ieder dorp, elk gehucht krijgt er één van ons. Gratis en voor niks. Het is al een hele bundel geworden zo onderhand. Een aanleiding zien wij in uiteenlopende zaken groot of klein. Het kan een ontmoeting zijn, of een gesprekje. Een uitzicht, het weer, een voorval. Alles, daar zijn wij gemakkelijk in.
In Maarhuizen sloop de actualiteit erin, want dat kan natuurlijk ook. We lopen niet alleen door het landschap, langs cultuur en geschiedenis, we lopen ook in het hier en nu van vandaag.
Maarhuizen is een wierdedorp dat volgens de digitale annalen al in 1000 v Chr bewoond werd, maar nooit veel groter is geweest dan klein. Een handvol boerderijen op en rondom de wierde die eeuwenlang in het bezit waren van enkele families. De wierde, zoals veel wierden en terpen in deze contreien, is begin vorige eeuw gedeeltelijk weggegraven, om de vruchtbare grond waarvan hij was opgeworpen te kunnen verkopen. Wat wij van Maarhuizen zagen was maar één boerderij. En daar was het doodstil. Het huis leek geheel verlaten, de stallen en schuren waren het zeker, het erf maakte een verwaarloosde indruk. Hier was niemand meer. Een gedeelte van de bebouwing stond in de stutten. Wat ons uiteraard op het idee bracht dat één en ander te maken had met aardbevingen, gaswinning en instortingsgevaar. Daar had je ‘m, de actualiteit. Al waren we nog niet echt in aardbevingsgebied doorgedrongen, in onze invulling waren de inwoners van Maarhuizen gevlucht. Het enige dat wij verder nog zagen was het ommuurde kerkhof, dat bij ontstentenis van een kerk dus eigenlijk begraafplaats genoemd moet worden. Een verstilde plek, verscholen in groen. Een rustplaats voor hen die achterbleven. En mocht het allemaal niet waar zijn, wat wij hier bedenken, dan staat de limerick symbool voor al die andere plekken in Groningen waarvoor het wel waar is.

Het wierdekerkhof van Maarhuizen

In Maarhuizen is het leven
op de vlucht gegaan voor het beven.
De NAM kwam en nam
en niemand ontkwam..
alleen de doden, die zijn gebleven.

De molenaar van Mensingeweer

een wandellimerick

We passeren heel wat plaatsjes, dorpjes en stadjes op onze weg langs het Nederlands Kustpad. En voor elk daarvan, zo hadden wij bedacht, schrijven wij een limerick. Een wandellimerick, zoals we ons zelf uitgevonden genre hebben gedoopt. De aanleiding kan van alles zijn. Er valt ons altijd wel iets op. Iets kleins of iets groots. Iets tastbaars, een sfeer of een ontmoeting.
In Mensingeweer sprong de molen nogal in het oog. Van verre zagen we hem al hoog boven de rest van het stadje uittorenen. Een reus van een molen, was het. Draaien deed hij niet. Aan het waarom daarvan gaven wij een heel eigen draai, om het flauw te zeggen. Als disclaimer hechten wij eraan te melden dat iedere historische grondslag voor deze limerick ontbreekt.

DSC08741

De molenaar van Mensingeweer

De molenaar van de molen van Mensingeweer
was een kerel zo groot en zo sterk als een beer.
Maar toen, op een dag,
nam hij plotsklaps ontslag,
en nu draait er de molen dus niet meer.
 

A bad hair day

DSC08722

Ook langs het Nederlands Kustpad kom je het tegen. Het is niet bedoeld als kunst. Het ligt er gewoon, het staat er gewoon, te wachten op wat komen gaat. En óf er nog wat komen gaat. Maar met enige fantasie zou het makkelijk wel voor kunst door kunnen gaan. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. GeenKunst, is de naam van dit genre. Bovenstaand beeld troffen wij aan in de berm nabij Warfhuizen.
Kijk eventueel de immer uitbreidende, nimmer volledige catalogus eens door.

De haven van Warfhuizen

een wandellimerick

Voor ieder plaatsje dat wij doorkruisen, met het Nederlands kustpad, maken wij een limerick. Ieder gehucht, stadje, dorpje of buurtschap krijgt zijn wandellimerick, zoals ons zelfverzonnen genre is gaan heten. De aanleiding kan van alles zijn. Een standbeeld, een straatbeeld, het weerbeeld. Uitzicht, aanzicht, inzicht. Er is altijd wel iets dat ons opvalt.
In Warfhuizen raakten wij aan de praat met twee mannen. In de haven, nota bene. Dat zou je al niet verwachten, dat er een haven zou zijn in Warfhuizen. Maar hij is er echt. Langs de kant van de Mare ligt een heel rijtje bootjes waarin ijverig getimmerd, gezaagd en geboord wordt. Rondom een loods, die je daardoor een scheepswerf zou kunnen noemen, liggen nog meer bootjes. Die staan op opleggers of voor zolang op oliedrums. Op de kant, langs de Mare, staat een eenvoudige takel waarmee boten in en uit het water geholpen kunnen worden.
Eén van de twee mannen waarmee wij aan de praat raken vertelt dat hij uit Rotterdam komt. Daar hebben ze ook een haven. Zijn ouders keerden er terug toen het bij wijze van spreken nog smeulde. Dan wisten wij het wel.
Nu, vertellen ze, staan ze te wachten op de eigenaar van de takel. Die zou ze vandaag, nu, op dit moment, helpen hun bootje in het water te leggen, zodat ze wat konden varen. Maar hij is er nog niet, en het ziet ernaar uit dat hij ook niet meer op komt dagen. Om de man op te bellen, zoals wij pragmatisch voorstellen, dat gaat ze dan weer te ver, want een mobiele telefoon, dat is niet aan ze besteed. Ze zien wel. Ze zullen iets anders moeten bedenken, voor de dag.

DSC08716

De haven van Warfhuizen

In Warfhuizen stond op de werf aan de Mare
een Rotterdams schipper in het water te staren:
“Met mijn schip op de kant
is mijn dag wel gestrand,
want vandaag wordt er niet meer gevaren.”

A view with a room

Ook langs het Nederlands Kustpad komen we het tegen. Het ís geen kunst, zo is het niet bedoeld, maar het zou het net zo goed wél kunnen zijn. Dat ligt er maar net aan hoe je er naar kijkt. Hoe je er tegenaan kijkt. En hoe je erover denkt. Of je het wilt zien. Maar als je het eenmaal ziet, is de wereld een beeldentuin. Geen Kunst, heet het genre. Dit beeld troffen we op weg naar Warfhuizen. Zie desgewenst ook de nimmer voltooide, immer uitbreidende catalogus.

DSC08712

Eindelijk zomer in Leens

een wandellimerick

DSC08675

Al wandelend langs het noordelijkst deel van het Nederlands Kustpad maken wij voor ieder plaatsje waar we door komen een limerick. Ieder dorp, stadje of gehucht krijgt een wandellimerick, want zo heet ons zelf-opgericht subgenre van het lightverse. Alles kan daarbij de aanleiding zijn. Een straatnaam, het weer, een ontmoeting. Een gesprekje onderweg. Een uitzicht, een aanzicht of een inzicht.
In Leens trokken we zelf nogal de aandacht, zo leek het. Het zal het zomerse weer geweest zijn, waar lang op was gewacht. Nu het er eindelijk was, zocht menigeen de tuin op. Of het plaatsje voor het huis. Om van het zonnetje te genieten, de plantjes water te geven of de tuinmeubelen schoon te maken. En een beetje in de gaten te houden wat er zoal voorbij kwam stiefelen. En dat waren wij dan, dus. En het moest raar lopen wilden we niet uitbundig begroet worden met de vaststelling dat het prachtig wandelweer was. Zo ook een ouder echtpaar dat zich in de tuin in de schaduw van een al even voluptueuze blauwe regen had verschanst, zodat we ze desondanks pas in tweede instantie zagen. Schitterend wandelweer, werd ons jubelend nageroepen, vanonder de bloemenpracht. Met ons motto ‘ieder weer is wandelweer’ konden wij daar natuurlijk sowieso al weinig tegenin brengen, maar vandaag klopte het wel helemaal als een bus. Schitterend wandelweer.

Eindelijk zomer in Leens

Een ouder echtpaar in het zomerse Leens
zat parmant in de voortuin, gezellig wijdbeens.
Vanonder de blauwe regen
klonk: “Dit weer is een zegen!”
En wij waren het daar zeker mee eens.

Sorry Houwerzijl

(g)een wandellimerick

Sinds we van Stavoren vertrokken voor het noordelijkst deel van het Nederlands Kustpad maken wij voor ieder plaatsje waar wij door wandelen een limerick. Een wandellimerick, zoals we ons zelfverzonnen subgenre hebben genoemd. Ieder stadje, ieder dorpje, ieder gehucht of buurtschap krijgt er één. Aanleiding kan van alles zijn. Een aanzicht, een uitzicht of een inzicht. Een toevallige ontmoeting, een standbeeld, een herberg of een brug, het maakt niet uit, als het ons maar opvalt, op één of andere manier.
Ieder stadje, zeggen wij nu wel, maar dat is niet helemaal waar. Niet meer, in elk geval. Want Houwerzijl glipte er tussen door. Schoot er bij in. Kwam er niet van. Na een winterstop van enkele maanden pakten wij de draad van onze tocht weer op, in Houwerzijl, maar konden hem niet meer vinden. Waar kwamen we toch weer vandaan? Waar moesten we toch weer naar toe? We kwamen er niet uit en liepen doelloos rondjes, op zoek naar aanwijzingen die we niet vonden. Eenmaal weer op het juiste pad bedachten we pas dat we niet aan Houwerzijl hadden gedacht, limericksgewijs. En dat ons ook in retrospectief niets anders was opgevallen dan onze eigen zoektocht. Sorry, Houwerzijl.

DSC08653

Sorry Houwerzijl

Wij zochten, eenmaal weer in Houwerzijl,
zó hard en lang naar bord of pijl
dat wij onze plichten verzaakten
en niet aan het dichten geraakten,
en dat is natuurlijk geen stijl..

Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde

De etappe van Houwerzijl naar Baflo liepen we op woensdag 17 mei 2017

Houwerzijl lijkt best een aardig plaatsje, toch krijgt het van ons niet de aandacht die het dus waarschijnlijk verdient. Er zijn een hele winter en een half voorjaar overheen gegaan sinds we hier de wandeling onderbraken en nu we de draad weer op willen pakken, kunnen we hem zo gauw niet meer vinden. Houwerzijl ligt net naast de voorgeschreven route, dus het boekje biedt maar weinig soelaas, en markeringen, hoe goed we ook zoeken, ontbreken. Een man met een grote snor die zijn dito hond voor ons tot kalmte maant, zet ons op het spoor naar de Houwerzijlstervaart, en dan komt alles goed.

DSC08658

Wij hervatten onze tocht over een zeer uitbundig met fluitekruid omzoomd fietspad langs het water. De fietsers die we daarbij tegenkomen zijn niet geërgerd dat wij hun de weg versperren, zoals je ook wel meemaakt als wandelaar, maar roepen ons stuk voor stuk blijmoedig toe hoe móói het hier is, met al dat fluitekruid. En verderop, in Leens, zet die gemoedelijke trend zich voort. Daar ontmoeten we meerdere mensen die uitgebreid in de tuin zitten, de ramen zemen of de bloembakken water geven en ons bij het langslopen aanmoedigen met de vaststelling dat het schitterend wandelweer is. Iets dat wij telkens even opgewekt beamen. Het ís ook schitterend wandelweer. Langzaam breekt de zon door en wordt het steeds warmer. Met in de mensen duidelijk een welbehagen.

DSC08663

Iets vóór Leens betreden wij met gepaste eerbied nog Olle Weem. Een zeer oud kerkhof, gelegen op een wierde, idyllisch omzoomd door bomen en opnieuw bloeiend fluitekruid. Het is het enig overblijfsel van Vliedorp, dat hier in oude tijden lag. Zo lezen wij op het informatiebord. Tot het jaar des Heeren 1695 liepen de inwoners van Houwerzijl hier op zondag langs het kerkepad naartoe om de mis te bezoeken. Daarna raakte de kerk van Vliedorp in onbruik, werd hij afgebroken en werden zijn stenen hergebruikt voor de pastorie van Leens. Het dorp bleef bewoond tot het eind van de achttiende eeuw. Het kerkhof was tot 1868 in gebruik als dodenakker van Houwerzijl. Bij slecht weer werd de rouwstoet per boot over de Houwerzijlstervaart vervoerd, lezen wij nog. Begin twintigste eeuw is de wierde voor een groot deel afgegraven, om de vruchtbare zeeklei waarvan zij was opgeworpen aan belendende provincies te verkopen, een lot dat veel wierden in die tijd was beschoren. Een operatie waarbij in dit geval blijkbaar geen rekening werd gehouden met het gegeven dat de kostbare aarde hier eeuwige rust bood aan de doden, aangezien er veel zerken bij verloren zijn gegaan. Die zijn, aldus nog altijd het informatiebord, door boeren uit de omgeving ‘voor allerlei doeleinden’ aangewend. Een mededeling van een nieuwsgierig makende vaagheid. Wat overbleef zijn twaalf verspreid liggende, moeilijk leesbare zerken. En de ondanks alles verstilde sfeer.

DSC08690

Even voorbij Leens leggen we aan bij de borg Verhildersum, omringd door een slotgracht, gelegen temidden van barokke tuinen, een lommerrijk landgoed en aan het eind van een statige oprijlaan. In 1398 bescheiden begonnen als een verdedigbare woontoren, groeide het vanaf de zestiende eeuw uit tot de rijke herenwoonstee die er nu nog staat, met koetshuis, arbeidershuisje, duiventil en boerderij.
Langs het Scheeftilsterpad lopen we verder langs een toch echt lichtglooiend landschap. Veel landerijen worden gebruikt voor de aardappelteelt en zijn zandkleurig, grijsachtig bruin, bruinachtig grijs. Gestreept, met hoge ruggen, alsof het land zorgvuldig met een reuzenkam gekamd is, in superstrakke voren. Soms kaarsrecht, soms in concentrische bogen. Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde.

DSC08726

Langs het Warfhuisterloopdiep komen we terecht in Warfhuizen, dat een soort havenstadje blijkt te zijn, middenin het Groningse land. Langs de vaart ligt een lange rij bootjes in soorten en maten afgemeerd. En in uiteenlopende staten van onderhoud, dat ook. Maar in bijna allemaal wordt druk getimmerd, geklopt en gezaagd. Er moet blijkbaar nog heel wat gebeuren voor er gevaren kan worden. Iets verderop treffen we zelfs een werfje, met op het droge een heel aantal boten, waarvan sommigen zolang even op een paar oliedrums zijn gestald. Aan de waterkant een eenvoudige takel om ze weer in de vaart te tillen. In de schaduw van één van die boten staan twee mannen een gemoedelijk praatje te maken. Ze blijken te wachten op de eigenaar van de werf, en de takel, die de boot van de mannen vandaag volgens afspraak te water zou laten. Al lijkt het erop dat hij niet op komt dagen, stellen ze laconiek vast. Eén van de mannen vertelt uit Rotterdam te komen. Waar zijn ouders in 1941 naar terugkeerden, toen het nog smeulde. Maar nu woont hij dus hier en dat bevalt hem prima. Al wacht hij dan waarschijnlijk vergeefs tot zijn boot te water wordt gelaten. De man draagt een rond hoornen brilletje, een boordloos overhemd, een krullende snor, lang haar en een platte pet waar hij regelmatig onder krabt. Het is te warm voor een wollen pet. Zijn veel te ruime ribfluwelen broek wordt door rode bretels omhoog gehouden en hij hanteert een bij dit alles passende artistieke onverschilligheid die wat bestudeerd aandoet. Wanneer wij opperen dat hij de man van de takel misschien kan bellen, werpt hij zijn beide armen in gespeelde hulpeloosheid in de lucht en roept schamper uit dat hij niet eens weet hoe zo’n 06-ding wérkt. De mannen accepteren aldus de tegenslag en besluiten de middag elders en op een andere manier door te brengen. Wij vervolgen onze weg.

Abel_Stok

Bij het gemaal Abelstok betreden we zo’n beetje de Groningse actualiteit van gaswinning en zakkende bodem. Het is één van de gemalen die werden gebouwd op de grens van het verzakkingsgebied met als taak het waterpeil in het gebied aan te passen aan de dalende bodem. Over de herkomst van de naam Abelstok doen verschillende verhalen de ronde. Het meest tot onze verbeelding spreekt de 19e eeuwse sage van ene Abel die, om een weddenschap te winnen, met een polsstok de Hoornse vaart bedwong maar daarbij zó ver sprong dat hij aan de overkant volledig uit zicht verdween, tot radeloosheid van de achtergebleven toeschouwers.
Bij het gemaal ontmoeten we een man waarvan we achteraf denken dat hij wel eens een ver familielid van Abel Stok zou kunnen zijn. Hij zit nogal verlegen om een praatje, en de oude en der dagen zatte teckel die hij bij zich heeft legt zich daar amechtig hijgend van de inmiddels zomerse hitte bij neer. De man vertelt ons met enig bravoure hoe hij een aantal keer per week het tegenoverliggend Abelstokbos intrekt om er met een boomstam van soms wel 80 kilo weer uit te komen, die hij dan vervolgens op zijn schouder naar huis vervoert. Bij wijze van sport en beweging. Die bomen blijven daar toch maar liggen, vindt de man, en dat is dan misschien in het kader van het moderne natuurbeheer, maar zo komt hij mooi aan zijn brandhout voor de winter. Toen de stammen eens te groot waren om te dragen, had hij een kettingzaagje meegenomen. Hij zou er natuurlijk ook met een aanhanger heen kunnen gaan, en zijn hele voorraad in één keer meenemen, dat snapte hij ook wel, maar dan was het dus geen sport meer. En op deze manier werd hij víer keer warm van zijn hout, rekent hij ons voor. Wisten wij trouwens dat er naast het gemaal ook een vistrap was gebouwd? Zodat de vis ongestoord langs het gemaal van a naar b kon zwemmen. Flauwekul en zonde van het geld, als je het hem vroeg, want hij had er nog nooit een vis in gezien.

DSC08751

Langs het Mensingeweersterloopdiep en Mensingeweer zelf tenslotte, geraken we in Maarhuizen, bestaande uit niet veel meer dan een grote boerderij van 1811 die er verlaten bijstaat. Op het erf staan wat roestige voorwerpen, de ruiten van de stal zijn gebroken, de luiken van het woonhuis hermetisch gesloten. De stalmuur is met dikke houten balken gestut. Nu staan we dus echt op verzakte bodem, bedenken wij, al weten we het zeker niet zeker. Geen teken van leven dat ons tegenspreekt. Maarhuizen is verlaten. Gevlucht voor de NAM, en het beven der aarde. Alleen de doden zijn achtergebleven, in serene rust, op het naastgelegen wierdekerkhof.

Down the rabbithole

In de fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veelbesproken en innig geliefde vaderlandse culturele identiteit, zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs tuinpad en oprijlaan. Op terras, gazon of stoepje. In border of portaaltje. Onderstaand tafereel kwamen wij tegen in Niekerk.

down the rabbithole niekerk

Dik Trom

DSC07178

Je komt het tegen, op je pad. Langs je weg. Op je route. Ook langs het Nederlands Kustpad. Het ís geen kunst, zo is het níet bedoeld, het staat er gewoon, te wachten op iets anders, maar als je er met andere ogen naar kijkt zou het zomaar net zo goed wel kunst kunnen zijn. Waarom niet. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien natuurlijk, dat ook. Geen Kunst, noemen we het genre. Bovenstaand beeld troffen wij in Niekerk.
Hier is nog het adres voor de immer uitdijende, nimmer complete digitale catalogus van  Beeldentuin De Wereld.

Niekerker binten

Een wandellimerick

Al wandelend langs het Nederlands Kustpad bedenken wij voor iedere plaats waar wij doorheen lopen een limerick. Een wandellimerick, zoals we deze officieuze loot aan de stam van de light verse genoemd hebben. Ieder dorp, gehucht of buurtschap krijgt er één van ons. Met als enig argument dat wij het zelf zo leuk vinden om te doen. Een aanleiding vinden we telkens in de kleine dingen. Een ontmoeting, een gesprekje, een observatie. Een uitzicht, een aanzicht of een inzicht. Of anderszins.
In Niekerk geraakten wij op het kerkhof. In veel plaatsjes geraken wij op het kerkhof. Niet vanwege een macabere obsessie voor de dood en zijn onderdanen, maar omdat die oude kerkhofjes altijd bijzondere plekken zijn. Uitlopers van het verleden in de dag van vandaag. En al liggen ze vaak midden in een stadje of pal aan een dorpsplein rond de kerk gedrapeerd, er hangt op één of andere manier steeds een weldadige, serene rust. Waarschijnlijk is het de rust die je in jezelf vindt. Het zijn fijne plekken om even te verkeren, wat beschouwend rond te slenteren en stil te mijmeren over het éen of ander. Al gebiedt de eerlijkheid ons te bekennen dat het op het kerkhof van Niekerk niet bij eerbiedig mijmeren bleef. Een rijtje prominente grafstenen markeerde de graven van wat de familie Aardappel geweest moet zijn. Een vader een moeder en twee zonen. Vier Aardappels, op een rij in de grond. Vreselijk kinderachtig en respectloos, zonder meer, maar wij moesten er even bij gniffelen. Sorry.

DSC07181

Niekerker binten

Op het kerkhof van Niekerk, zagen wij,
lagen vier dode Aardappels, op een rij..
Het getuigt niet van fatsoen,
we hadden het niet moeten doen,
maar wij stonden er gniffelend bij.

Lost in a forest

Ook langs het Nederlands Kustpad komen wij het iedere etappe wel tegen. Het ís geen kunst, maar zou het net zo goed wél kunnen zijn. Dat ligt er maar net aan hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Het is GeenKunst. De wereld is een beeldentuin, als je het goed beschouwt. Onderstaand beeld vonden wij even buiten Lauwersoog.

DSC07090

Dat komt alleen maar voor in Dallas

dat komt alleen maar voor in Dallas

In de inmiddels bekende fotorubriek ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ verzamelen wij voorbeelden van onze veelbesproken en soms wat luidruchtig bewaakte vaderlandse culturele identiteit zoals we die aantreffen langs het Nederlands Kustpad. Langs tuinpad en oprijlaan. Op stoepje, gazon of terras. In de tuin of op het balkon. Bovenstaand tafereel troffen wij aan in een voortuin te Vierhuizen.